Ik sta op. Een dwingend, huilend kind. Met mijn ogen half toegeknepen stommel ik naar zijn kamer. Hij staat rechtop in zijn ledikant. Zijn dag is begonnen. Die van mij nog niet echt. Die van mijn man al helemaal niet. Die zou het nog niet horen als zoonlief ineens een interesse in buskruit zou ontwikkelen en uittesten, terwijl hij zelf nog in dromenland vertoeft. Ik doe de lamp aan. Mijn ogen knijpen uit reflex dicht. Die van de kleine ook. ‘Dit kan toch niet de bedoeling zijn’, hoor ik mezelf mopperen.
Nachtmens
Ik ben geen ochtendmens. Ik ben een avondmens. Misschien zelfs wel een nachtmens. Sinds ik kinderen heb ben ik noodgedwongen ook een ochtendmens geworden. Vermoeiender wordt het niet in het leven, denk ik. De avond ervoor voelde ik me nog heel wat. ‘Ja, lekker hoor, doe nog maar één wijntje.’ Ik hoor het mezelf nog zo zeggen. Voor je het weet lig je pas om kwart voor één ’s nachts in bed te rekenen hoeveel uur je nog hebt om te slapen.
In ons toilet hangt daarom een tegeltje: ‘Brak? Vanavond gaat het wel weer.’ En zo is het ook. Kruip ik ’s morgens als halve zombie uit bed; kome de avond ben ik alweer een hele dame. En zo gaat het dag in, dag uit. De eerste helft van de dag ben ik soms gewoon geen stuiver waard. Als ik individueel taken moet uitvoeren op een computer, kun je me dat beter vanaf een uur of vier ’s middags laten doen. Dan gaat het als een trein. ’s Ochtends heb ik vrij veel dubbele espresso’s nodig voor hetzelfde resultaat. Het moge duidelijk zijn dat ik over het geheel genomen dus teveel koffie drink.
Kantoortijden
Maargoed, ik heb me aan te passen. Enerzijds aan de kinderen, waarvan er één in elk geval wèl een ochtendmens is. Anderzijds aan mijn werk. In Nederland hebben we afgesproken dat er gemiddeld genomen tussen negen en vijf wordt gewerkt. Dat is handig om met zijn allen tegelijk te doen, want dan kun je elkaar bellen enzo. Niet zo relaxed dus, als je over het geheel genomen tien keer productiever bent buiten deze tijden. Niet zo relaxed voor jezelf, maar ook niet voor je baas.
Daarom – en nog honderd andere redenen – is er tegenwoordig Het Nieuwe Werken (met hoofdletters ja, want je mag het officieel afkorten naar HNW). Op eigen tijden, op flexibele plaatsen je werk uitvoeren. Echt iets voor een nachtvlinder als ikzelf. Ware het niet dat ik ’s ochtends toch al word gewekt door een knorrige baby. Dan kan ik me maar net zo goed naar kantoor slepen.
Nieuw, nieuw…
Het Nieuwe Werken is natuurlijk niet meer zo nieuw. Zo rond 2009 begon de term zich in ons arbeidslandschap te vestigen, destijds met name aangejaagd door technologische ontwikkelingen. Het werd steeds beter mogelijk voor werknemers om buiten kantoor beschikking te hebben tot dezelfde systemen als binnen het kantoor. Thuiswerken was een logisch gevolg, waarop Het Nieuwe Werken is geïntroduceerd.
En zoals met alles wat nieuw is, waren er nog wat kinderziektes. Er moesten ineens thuiswerkplekken komen, kantoorpanden liepen fluctuerend leeg, werknemers hadden stress over de verwaterende scheiding tussen werk en privé en werkgevers vonden het maar lastig dat ze geen idee hadden wat hun mensen thuis allemaal uitspookten. Na een tijdje leek de veelbelovende trend alweer uit te sterven.
Resultaten
Wat bleek nou? Er werd nog veel te veel gedacht in uren in plaats van resultaten. ‘Hoe weet ik nu of mijn medewerker wel acht uur heeft gewerkt vandaag?’ Tsja, dat weet je niet. Misschien heeft hij tussendoor wel de afwas staan doen. De enige vraag die telt is echter: ‘is zijn werk af?’ Als die vraag met een volmondig ‘ja’ beantwoord kan worden, doet de tijd die hij erin gestopt heeft er al een stuk minder toe. Hij blij, baas blij, bedrijf blij. Tegenwoordig lijkt dit meer een trend te worden: resultaatgericht aansturen, in plaats van productiegericht. Iets wat Het (niet meer zo) Nieuwe Werken alleen maar ten goede komt.
Ik las een artikel waarin een aantal grote Amerikaanse organisaties dweepten met hun ‘flexibility’ en ‘scheduling benefits’. Waar het op neer kwam werd goed samengevat door een dame van een advocatenkantoor: “We find employees are most productive when their schedule works for them, rather than being confined to adult study hall.” Zo lang mensen op tijd komen voor vergaderingen en afspraken, wordt er over een uurtje hier of daar niet moeilijk gedaan. “I’ve found that if my employees aren’t stressing out about little things like being five minutes late, than they are more relaxed and therefore more creative in general.”
Individu
Zoals met alles in de samenleving gaat ook het werken zich dus meer en meer aanpassen aan de wensen van het individu. Ik ben geen ochtendmens, dus ik begin pas om elf uur met werken. Of, ik heb jonge kinderen die ik toch naar school moet brengen, dus ik ben er om kwart voor negen. En dan heb je nog de categorie, die ik van mijn levensdagen niet zal begrijpen, die het leuk vindt om ’s ochtends om zeven uur al te beginnen, want dan heb je nog zo lekker veel aan je dag.
Dus zelfs als het de grens tussen werk en privé vervaagt, één van de veelgenoemde nadelen van HNW, gebeurt dit alleen maar omdat wij er zelf om vragen. Een mooie ontwikkeling, waar nog heel veel winst en wijsheid te behalen is. Uiteindelijk gaat het er immers om een geslaagde synergie te bereiken met elkaar, gebaseerd op de persoonlijke behoeften van ieder mens. Daar worden niet alleen de mensen vrolijker en bevlogen van, maar ook een organisatie gaat daar een stuk efficiënter van lopen. Zolang het goed uitgevoerd wordt natuurlijk.
Maar eerlijk is eerlijk, vooralsnog heeft mijn individu misschien wel iets te wensen, ik heb me iedere ochtend gewoonweg over te geven aan de meest genadeloze baas die ik ooit in mijn leven zal kennen. Hij heeft geluk dat hij zo’n schattig voorkomen en innemende glimlach heeft. Je zou er bijna met plezier een ochtendmens van worden.