
Mijn ouders hebben een hond. Of, nou ja hond. Hij is net één turf hoog denk ik, maar valt niettemin onder de diersoort ‘hond’. Hij heet Juan. En hoewel zijn formaat misschien anders doet vermoeden, is Juan een stoere gast. Hij is mysterieus zwart als de nacht, staat uiterst breed op zijn pootjes en laat zich niet piepelen. Juan is een baas. En ik denk dat er veel mensen zijn die iets kunnen leren van Juan.
Harde wereld
Zo heeft hij in zijn leven al heel wat meegemaakt. Toen Juan nog maar een pup was – nog kleiner dan één turf hoog dus – liep hij vrolijk huppelend langs de grasstrook voor het huis van mijn ouders. Netjes aangelijnd. Als uit het niets merkte hij een collega-hond op van ongeveer twintig turven hoog. Juan was een puppy en dacht: ‘vet gezellig; wij gaan spelen!’. Hij stapte op de hond af en werd begroet met een hap uit zijn gezicht. Een van zijn ogen raakte zo beschadigd dat hij aan één kant blind was geworden, met een hoop infecties op de koop toe.
Jarenlang werd er gedruppeld en gedaan, maar het werd onhoudbaar. Het oog werd verwijderd. Juan zeurde niet over zijn looks en had geen behoefte aan een ooglapje of prothese. Juan was opgelucht dat hij van de druppels af was.
Don
Toen Juan een jaar of drie was kreeg hij een maatje: Don. Een speelse jonge pup waar hij lief en leed mee deelde. Ze speelden, dolden en knuffelden en waren onafscheidelijk. Toen Don een jaar of vier was, ging het ineens niet zo goed met hem. Hij had rare bulten en knobbels. De dierenarts had zijn diagnose snel gesteld: leukemie, niks meer aan te doen. Don kreeg een spuitje. En Juan bleef alleen achter.
Juan miste zijn maatje, maar bleef vrolijk als hij even naar buiten kon of een lekkere snack kreeg. Hij krabbelde er bovenop.
Geaaid
Ondertussen hadden zijn baasjes een kleinkind gekregen. Dit kleinkind vond Juan helemaal te gek. Hij was niet bij haar weg te slaan als ze kwam spelen of logeren. Gelukkig was deze liefde wederzijds. Dit had wel tot gevolg dat hij soms hardhandig geaaid, geduwd of gemept werd. Maar daar deed Juan niet moeilijk over. Want Juan hield van dit kind. En als hij even rust wilde, dan ging hij gewoon ergens anders liggen.
Nu er ook een tweede kleinkind bij is – van het mannelijke geslacht – is het duwen, trekken en slaan niet minder geworden. Sterker nog, deze knaap weet van wanten. Maar Juan ondergaat het. Hij accepteert het. Is nooit gemeen en bijt niet van zich af. ‘Er zit geen kwaad in’, zeggen de mensen dan. Hij heeft geen idee wat kwaad is. Wat een lieve kinderen zijn dit toch, denkt hij.
Mopperen
Soms mopper ik wel eens. Omdat het leven anders gaat dan gepland, of omdat het regent bijvoorbeeld. En dan denk ik af en toe aan Juan. De eenogige beste-vriend-weduwnaar die op regelmatige basis in elkaar wordt geslagen door een stelletje onbehouwen peuters. Dat relativeert, zeg maar.
Ik weet ook wel dat Juan geen plannen heeft en er voor hem dus ook niks in de soep kan lopen, maar aan zijn houding kan iedereen een voorbeeld nemen. En dan ziet hij er ook nog retestoer uit met zijn twintig centimeter. Ik moet zijn menselijke tegenhanger nog tegenkomen.
Denk je dus soms: bah, alles zit tegen. Denk dan aan Juan. Ik weet zeker dat hij dat helemaal geen probleem vindt. Zo is hij nu eenmaal.