Ik heb vandaag een oude man in een scootmobiel een stroopwafel gegeven. Hij vroeg om een euro en ik had alleen maar stroopwafels. ‘Had die meneer honger’, vroeg mijn dochter. ‘Ik denk het wel’, antwoord ik als ik terugdenk aan de grijns op zijn gezicht, terwijl hij de stroopwafel in het mandje aan zijn stuur legde.
We lopen door de Bart Smit. We hebben zojuist heel veel geld in haar spaarpot ontdekt en we gaan het lekker uitgeven. We lopen naar het My Little Pony pad. Het enige pad in de winkel dat ertoe doet. Een doos van een meter bij een meter met een groot plastic kasteel erin trekt direct haar aandacht. Er zitten ook twee pony’s bij. Eén ervan heeft ze al.
Ze kent het kasteel van YouTube. ‘Deze mama, deze wil ik. Deze moet ik echt hebben. Eindelijk kan ik hem hebben. Mama, deze, deze, deze.’ Ik aarzel. Hoe krijg ik dit ding lopend mee naar huis? Ik vraag me ook af of ze écht nóg een huis-achtig speelding nodig heeft. Ik onderhandel. ‘Maar schat, die ene pony heb je al. Vind je dat niet jammer?’
Ze stelt voor om haar ‘oude’ versie aan haar broertje te geven. Die hangt ongeïnteresseerd in de kinderwagen voor zich uit te staren. ‘Ik weet niet of hij die wel wil.’
‘Nou dan heb ik er lekker twee. Voor als er vriendinnen komen. Of dan kan ik spelen dat ze tweeling zijn. Of jij kan met mijn oude. Ik wil deze écht, mam!’
Het kasteel is flink afgeprijsd en ze kan het makkelijk betalen van haar spaargeld. Ik probeer haar nog wat andere, kleinere dingen aan te smeren, maar ze is onvermurwbaar. En het is haar eigen geld. ‘Oké dan’, zeg ik en ik pak de doos van de plank. Ze valt bijna flauw van geluk.
We kiezen ook nog iets voor haar broertje uit in de winkel, omdat het anders zo sneu is. Hij wil alles hebben en niks tegelijk. We kiezen een auto die we van de televisie kennen.
Tijdens het afrekenen stuitert mijn dochter om de kinderwagen heen. ‘Moet ik het voor je inpakken’, vraagt de aardige winkelmevrouw. Mijn dochter weigert. ‘Ik weet toch al wat het is?’
Ze past net met de grote doos samen in het onderste zitje van de kinderwagen. Het is een koddig gezicht. Ze kwekt en ze kwaakt en ze vraagt of we al thuis zijn, van onder een hele grote gekleurde kartonnen doos.
‘Hallo. Wilt u vandaag iets doen aan kinderuitbuiting?’
Ik kijk in mijn wagen. Het is denk ik geen persoonlijke vraag. ‘Uh, hoezo’, antwoord ik vertwijfeld. De jongen steekt een relaas af over Terre des Hommes en hun mooie werk over de hele wereld. ‘Want als je niet met kinderen kunt omgaan, moet je er ook bij uit de buurt blijven, vindt u niet’, beëindigt hij zijn relaas.
Het is angstvallig stil onder de gekleurde kartonnen doos. ‘Ja, nee, dat vind ik ook hoor’, zeg ik gauw.
Hij vraagt me om maandelijkse donaties van 7, 9 of 12 euro per maand. Ik leg hem uit dat ik al aan zoveel goede doelen geef en dat ik er liever niet nog één bij wil. Ik voel me er heel ongemakkelijk bij, met mijn letterlijk onder het speelgoed bedolven kinderen recht in zijn vizier. Maar hij zegt het te begrijpen.
Als we weglopen vraagt mijn dochter: ‘wat wilde die meneer van jou hebben?’ Ik leg haar uit dat hij voor arme kindjes op de wereld geld wilde, zodat zij een beter leven krijgen. Ik vertel haar dat zij nu een mooi ponykasteel heeft, maar dat sommige kinderen op de wereld niet eens kunnen eten omdat ze zo weinig geld hebben.
Ze denkt er even over na en zegt dan: ‘maar waarom heb je hém dan geen stroopwafel gegeven?’