Het komt maar zeer zelden voor dat ik op tijd genoeg ben om een plekje te bemachtigen op de parkeerplaats die direct aan het kantoor grenst. Sinds dit kantoor mijn stam-kantoor is – ik denk nu zo’n maand of zes – is me dat misschien drie keer gelukt. Deze week was het zo’n keer! En dat op een maandag.
Het gevoel van binnen, als je de auto bovendien vooraan op de parkeerplaats kunt indraaien, is bijna niet te omschrijven. Een jubelende kriebel die zich knisperend vanuit de onderbuik naar boven wurmt, langs het hart dat drie maal overslaat, om ten slotte door mijn hersenen cynisch te worden veroordeeld om het kinderlijk enthousiasme over een parkeerplaats. Magisch werkelijk.
Marcheren
Jubelend dus, maar vol van zelfverachting stap ik uit. Omdat ik zo vooraan sta op de parkeerplaats, wordt mijn auto doorlopend gepasseerd door wandelaars die vanaf het station naar ons stam-kantoor komen. Terwijl ik vrij opgewekt – ik zing bijna – mijn tas uit mijn kofferbak hijs, valt mij plots de grijze treurnis van de langslopende meute op. Ik word erdoor geraakt, alsof het iets tastbaars is dat uit de lucht komt vallen.
Al deze mensen, het zijn er best veel, zijn collega’s van elkaar. Ze lopen namelijk naar hetzelfde stam-kantoor; mijn stam-kantoor. Maar ze zwijgen, gunnen elkaar geen blik waardig en lopen achter, in plaats van naast elkaar. Allemaal op hetzelfde tempo. Marcherend bijna.
Geen ‘lekker weertje’ of ‘druk zeg in de trein’. Geen ‘nog wat leuks gedaan dit weekend?’. Geen ‘heb jij nog interessante afspraken vandaag?’. Niks. Pijnlijke stilte.
Slagersmes
Het stam-kantoor ligt er uiterst sereen bij. De stilte staat haar eigenlijk wel. Het glas weerspiegelt de droefenis en geeft het een ijsblauwe kleur. In het midden staat fier de ingang al te wachten. De mensen verdwijnen erin alsof ze worden ingevoerd. Schuifdeuren open, mens erin, schuifdeuren dicht. Zonder protest, zonder gejubel, zonder een woord.
Ja, oké, het is dan ook maandag.
Verder ben ik natuurlijk ongewoon monter door mijn parkeerplaats-overwinning. Me dunkt, het contrast is bijna scherper dan een slagersmes. Maar iets in mij breekt af. De glimlach glijdt van mijn lippen en mijn wangen strijken zichzelf glad. Ik voeg me bij. Zonder iets te zeggen. Zonder te knikken. Zonder mezelf. Ik heb dan wel een parkeerplaats vooraan, maar dat maakt mij geen beter mens.
Gezellig
De volgende dag heb ik minder geluk. In het verleden behaalde resultaten bieden, eigenlijk volkomen naar verwachting, geen garantie voor het heden. Ik draai de auto, om op een naburige parkeerplaats mijn heil te zoeken.
In mijn ingetogen gang naar kantoor – ik weet nu hoe ik me hoor te gedragen – hoor ik plots achter mij mijn naam. Ik kijk om. Een collega. ‘Hoi! Ik had je niet gezien!’, beken ik. ‘Geeft niks’, zegt hij, ‘jij komt toch helemaal niet zo vaak naar kantoor?’ Ik zeg dat dat de laatste tijd wel anders is en dat ik tamelijk vaak op het stam-kantoor vertoef tegenwoordig. ‘Gezellig’, zegt hij glimlachend. Ik kijk nog even om naar de parkeerplaats van de dag ervoor. Afgunst maakt plaats voor afkeer.
‘Ja, best wel’, zeg ik, terwijl we naast elkaar door de schuifdeur naar binnen lopen.