Vandaag werd ik negenendertig jaar. Dat is niet heel jong meer. Mensen die ouder zijn, zeggen steevast dat ik nog jong ben. Mensen die jonger zijn, vinden mij al best belegen. Ik weet het niet. Ik hang alvast een beetje rond aan het randje van die mid-life-vijver. Ik heb nog wel zwembandjes om, maar ik kan bijna zwemmen.
Nog net geen veertig. Dat is eigenlijk wat het is. Op nog net geen veertigjarige leeftijd, heb je al heel wat stempels op je strippenkaart, maar er zijn ook nog best wat lege plekken te vullen. Je hebt iets van een carrière, een gezin, zo’n huis waarvan je dacht dat je dat nooit ging kunnen onderhouden – dat klopt ook wel een beetje – en een soort reislust die nooit echt wordt vervuld, behalve op de A1 naar kantoor en op de fiets naar de basisschool.
Gisteravond zette ik de blues aan en schonk ik witte wijn in. Mijn dochter scharrelt door de kamer en noemt het aanzwellende gitaargeluid oneerbiedig een ‘wachtmuziekje’. Altijd die vinger op de zere plek, die kinderen.
Je hebt van die mensen die op een verjaardag of tijdens een jaarwisseling een terugblik doen op het afgelopen jaar. Ik ben niet zo’n mens. Mijn geheugen kan denk ik geen twaalf maanden reproduceren zonder hulp van Google Foto’s. En wat weeg je eraan af? Het leven komt zoals het komt en ik dein er rustig – of enigszins stuurloos soms – op mee. Is dat nonchalant? Is dat weigeren de touwtjes in eigen handen nemen?
Ja, ik denk het wel.
Wel knap van die mensen die zo bezig zijn met hun beste leven te leven dat ze steevast hun geleefde jaren evalueren. Serieuze toewijding aan een diepzinnig en betekenisvol bestaan. Diep respect. Ikzelf ben altijd bang dat ik dan dood ga voordat het echt leuk was. Dus ik heb mij volledig gericht op het zo leuk mogelijk hebben, binnen de mogelijkheden die ik heb. Diepzinnig doe ik wel als ik er nog tijd voor heb.
En als ik dan tijd over heb en mijn geleefde jaren overdenk, dan kijk ik misschien wel terug op dit moment. Dat ik negenendertig werd. Dat ik met zwembandjes aan, bibberig naar al die vrolijke midlifers zat te kijken op de rand van de vijver en met knikkende knieën mijn tenen in het water stak om te voelen of het al warm genoeg was. Als ik daar dan dobber, in de oceaan van voorbij de veertig, lach ik erom. Dat kleine meisje tussen het riet. Met haar wachtmuziek.
Onbezorgd en vrij zwemmen in de oceaan is het beste dat je kan overkomen, denk ik. Dan heb je het pas echt leuk. Het is maar goed dat ik al negenendertig ben.
Swimming aids
Today I turned thirty-nine years old. That’s not very young anymore. People who are older invariably say that I am still young. People who are younger think I’m quite mature. I don’t know. I’m already hanging out on the edge of that mid-life pond. I still have swimming aids on, but I can almost swim.
Just under forty. That’s basically what it is. And at just under forty years old, you already have a lot of stamps on your bus ticket, but there are also quite a few empty spaces to fill. You have something of a career, a family, the kind of house you thought you’d never be able to maintain – that’s painfully true to some extent – and a kind of wanderlust that is never really fulfilled, except on the highway to the office and on the bike to primary school.
Last night I turned on the blues and poured me some white wine. My daughter rummages around the room, irreverently calling the swelling guitar sound “hold music.” Always laying that finger on the sore spot, those children.
There are people who look back on the past year, on a birthday or at the turn of the year. I’m not that kind of person. I don’t think my memory can reproduce twelve months without help from Google Photos. And what do you weigh? Life comes as it is and I move along quietly – or somewhat chaotically – at times. Is that too laid back? Is that refusing to taking matters into your own hands?
Yes, I think so.
Pretty clever of those people who are so busy living their best life that they vigorously evaluate their passed years. Serious dedication to a deep and meaningful existence. They have my respect. I myself am always afraid that I will die before it was really fun. So I have fully focused on having as much fun as possible, within the possibilities that I have. I’ll try to be meaningful at some point, if I still have time.
And then if I have time to spare and reflect on my years lived, I might look back at this moment. That I turned thirty-nine. That I sat shivering at the side of the pond, looking at all those merry mid-lifers, while I tipped my toes into the water with trembling knees to feel if it was warm enough already. When I swim in the ocean past forty, I will have a laugh about it. That little girl among the reeds. With her ‘hold music’.
Swimming in the ocean, careless and free, is the best thing that could happen to you, I guess. That’s where the fun really is. Good thing I have already turned thirty-nine.