‘Ik heb een toepassing!’, komt hij luid schreeuwend binnengerend. Eén meter dertig aan out-of-the-box-zienswijzen staat glunderend voor me met zijn piepkleine keepershandschoentjes in zijn vingers. ‘Een toepassing?’ Ik kijk hem vragend aan. Het blijkt dat hij ze simpelweg aan wil. En die dingen zijn super strak, dus hij heeft zijn moeder nodig. Eigenlijk ben ik hier gewoon de ‘toepassing’.

Om onze jongste te begrijpen heb je een speciaal woordenboek nodig. Er komen de meest rijk ingekleurde uitspraken uit. Met ingewikkelde woorden die hij, als piepkuikentje onder ons, handig opvouwt tot een voor hem werkbare vorm van communicatie.
Voltooid
Soms is hij dan plots heel formeel. Bijvoorbeeld als de Kung-fu leraar vraagt of hij vandaag een proeflesje komt meedoen. Dan zegt hij plechtig: ‘Ja, dat kom ik.’ En in plaats van een tekening afgemaakt te hebben, heeft onze twee turf hem ‘voltooid’…
Maar de dag dat hij ‘what the man!’ introduceerde een paarjaar geleden, heeft ons leven als gezin veranderd. Wij roepen tegenwoordig vooral nog ‘what the man!’. Als iets niet gaat zoals het moet, als iets ons verbaast of gewoon in de vragende vorm. ‘What the man ben jij aan het doen?!’ Mijn man en ik gebruiken WTM als doodnormale afkorting in whatsapp. Op een dag maakte de taalboetseerder er zelfs ‘what the holy men’ van.
Dan weet je dat het serieus is.
Bruh
Ik zou wel willen pleiten voor meer vrijheid en creativiteit in de alledaagse taal. Wat let ons om de regels her en der wat los te laten en het leven wat op te leuken?
Ik ben altijd gefascineerd geweest door de evolutie van taal. Hoe hard de taalpurist in mij ook sterft als mijn dochter stuurt: ‘mazzer, wil je ff me tikkie betalen?’, hoe mooier ik het ook vind eigenlijk. Ik laat me misschien geen ‘bruh’ noemen door mijn jonkies, maar ik kan er best in mee als dat onderdeel wordt van ons vocabulaire thuis.
Als hoogbejaarde pubermoeder (vraag het ze maar; ik ben stokoud) heb ik mezelf ooit nog eens wat woorden van de Jeugd van Tegenwoordig eigen gemaakt, die er nog altijd maar moeilijk uit te slaan zijn. Zo is ‘watskeburt’ voor mij een doodnormale vraag, heb een bijzonder gevoel bij het woord ‘kerk’ en gaat iets soms echt ‘te fur’.
Hip
Woorden komen en gaan. Ooit waren ‘skibidi’, ‘slay’ en ‘cringe’ erg in de mode aan onze keukentafel. Tegenwoordig wil je niet meer dood gevonden worden met zulke woorden op je lippen. Ik ben overigens inderdaad te oud om dit goed bij te houden. Ik heb daar echt onze persoonlijke jongeren bij nodig, om een beetje hip te blijven. ‘Hip’ is trouwens een vreselijk onhip woord.
Maar soms blijft er wel echt iets achter in de taal. Prachtig toch? We kennen allemaal wel wat voorbeelden van van Kooten en de Bie (jemig de pemig, doemdenken, regelneef), maar ik mag zelf ook nog graag ‘drommels’ lenen van de Baron uit Bassie en Adriaan.
Serieusneus
Waarom zou zoiets ook behouden moeten zijn aan de jeugd? Zonde dat we die vrijheid opgeven zodra we gaan werken en de serieusneus gaan uithangen. De enige trending woorden die we dan nog papagaaien zijn holle termen uit managementboeken en zelfhulpbijbels. #gaap.
Dus geef niet op! Ook grote mensen mogen spelen. En al helemaal met taal. Ik bedoel, what the man zit ik hier anders te doen?
Precies, bruh. Precies.