(English below the dash)
Ooit had ik een collega met een eigenaardige kwaliteit. Hij vond het zelf overigens niets geks en vertelde er graag en veel over. Feesten, partijen of gewoon de lunchtafel werden aangegrepen als momenten om er af en toe eens lekker bij stil te staan. Het was ook niets beschamends of iets dergelijks, maar de mate waarin hij zijn trots tentoonspreidde was gewoon niet passend voor het geroemde talent.

Iets heel alledaags, waar hij dan ontzettend goed in was; dat was zijn claim to fame. Zo alledaags dat ik het chronisch probeer te mijden. Ik heb er een bloedhekel aan. Hij ging er prat op. Echt hard prat. Pratter kon bijna niet.
Titelhouder
De verhalen over hoe zijn familie altijd hem belde als dit klusje weer geklaard moest worden. Zeker als het in grote getale moest gebeuren. En goed. Kwalitatief hoogwaardig. En efficiënt. Met het maximale rendement. Dan werd hij ingeschakeld. Vaak op speciale gelegenheden was het raak. Feestdagen, familieaangelegenheden, bijzondere bijeenkomsten van de kerk; daar kon hij weer aan de bak. Hij was er immers de beste in van iedereen. Dat was al jaren zo.
Al sinds hij een kleine jongen was.
In geuren en kleuren kon hij dan vertellen dat het weer zover was. Ze hadden hem weer gebeld. Zoals ieder jaar rond deze tijd voor deze gelegenheid. En hij had er ook altijd weer zin in. Om aan iedereen te laten zien dat hij voor nu en voor altijd de onvervalste titelhouder was in het vakgebied. Dat niemand het kon zoals hij. Dat hij die klus klaarde en anderen die hetzelfde probeerden in een treurige, ontredderde staat achter liet.
Gierigheid
Het was zijn secuurheid, dacht hij altijd, zijn oog voor detail, die hem de kans gaf te glanzen wanneer het ertoe deed. Zijn geduld, maar ook zijn volhardendheid en zijn uitstekende vingergevoel. Hij was ook zuinig. Vastberaden om tot de verste inspanning te gaan om verspilling te voorkomen. Daar was zijn oma al trots op geweest: zijn gierigheid als het op dit klusje aankwam. Het bespaarde hen jaarlijks zeker enkele centen; dat was onbetwist.
De eerste keer dat ik hem hoorde oreren over zijn meesterschap was ik geamuseerd. De opvolgende keren begon mijn interesse af te nemen tot het uiteindelijk het niveau van complete desinteresse had bereikt. Aangevuld met een soort afschuw van de ongegeneerde passie voor zoiets banaals.
Walging
Maar vandaag de dag denk ik nog wel eens aan hem. Als ik weer veel te veel naar de kliko breng bijvoorbeeld. Dan denk ik, was ik maar zo goed als hij. Dan had ik nu ook een moment van trots te pakken. Maar terwijl ik kijk naar het bakje met dikke, bijna klonterige schillen, voel ik alleen maar walging. Voor mijn onverschilligheid, mijn totale gebrek aan aandacht voor de maximale verspilling en de centen die ik had kunnen besparen.
Nooit zal ik het niveau bereiken waarbij mensen je gaan bellen als er een grote huzarensalade gemaakt moet worden. Of een stamppotbuffet voor minderbedeelden. Nooit zullen ze de telefoon pakken en zeggen: ‘Kim, niemand schilt de piepers zo dun als jij. Met jou aan onze zijde hebben we zeker twee aardappels minder nodig om al deze monden te voeden. We moeten jou hebben en niemand anders. De onvervalste aardappelschilkampioen. Kom. Schil voor ons. We hebben je nodig.’
Nooit.
En dat is prima.
Once I had a colleague with a peculiar quality. He didn’t think it was strange at all; in fact, he loved to talk about it. Parties, celebrations, or even just the lunch table were seized as opportunities to dwell on it for a while. It wasn’t anything shameful, but the degree to which he put his pride on display was simply disproportionate to the “talent” in question.

Something completely mundane, yet something he was incredibly good at—that was his claim to fame. So mundane, in fact, that I chronically try to avoid it to this day. I absolutely loathe it. But he took pride in it. Real, hard pride. You couldn’t be any prouder.
Maximum yield
There were stories of how his family always called him when this job needed doing. Especially when it had to be done in great quantities. And well. High quality. Efficient. With maximum yield. That’s when he was brought in. It usually happened during special occasions. Holidays, family gatherings, special church meetings; that’s when he’d get to work. After all, he was the best there was. Had been for years.
Ever since he was a little boy.
He would describe in vivid detail how the time had come once again. They had called on him. Like they did every year around this time for this specific occasion. And he was always looking forward to it. To show everyone that he was, now and forever, the undisputed champion in his field. That no one could do it like him. That he would finish the job while others who tried the same were left in a sad, distraught state.
Finger-feel
It was his precision, he always thought, his eye for detail, that gave him the chance to shine when it mattered. His patience, but also his persistence and his excellent “finger-feel.” He was frugal, too. Determined to go to the furthest lengths to prevent waste. His grandmother had already been proud of that: his stinginess when it came to this task. It certainly saved them a few cents annually; that was undisputed.
The first time I heard him orating about his mastery, I was amused. The subsequent times, my interest began to wane until it finally reached a level of complete indifference. Supplemented by a kind of disgust for the unabashed passion for something so banal.
Loathing
But nowadays, I still think of him sometimes. When I’m carrying far too much to the green bin, for example. Then I think: if only I were as good as he was. Then I, too, would have a moment of pride. But as I look at the bowl of thick, almost clumpy peels, I feel nothing but loathing. For my indifference, my total lack of attention to the maximum waste, and the cents I could have saved.
I will never reach the level where people call you when a large potato salad needs to be made. Or a mash-pot buffet for the underprivileged. They will never pick up the phone and say: ‘Kim, nobody peels the spuds as thin as you do. With you by our side, we’ll certainly need two fewer potatoes to feed all these mouths. We need you and no one else. The authentic potato-peeling champion. Come. Peel for us. We need you.’
Never.
And that’s fine.