Zelfsturende teams: gewoon anders eigenlijk

zelfsturend-teamlid-300x242We organiseerden een themadag voor onze klanten uit de zorgsector. We hadden dus ook een thema bedacht: zelfsturende teams. Gaandeweg leerde ik dat we het tegenwoordig ‘zelforganiserende’ teams moeten noemen. Het plan was een open discussie, waarin iedereen zijn of haar mening over zelforganiseren kwijt kon. Sommige deelnemers deden er al aan. Anderen keken afwachtend – misschien zelfs argwanend – toe vanaf de zijlijn, hoe zij die er al aan deden worstelden met allerlei zelfsturende issues. “De productiviteit van de teams loopt wel terug, doordat ze allerlei zaken zelf moeten regelen.” Dat soort details bijvoorbeeld.

Groepjes
Er kwamen predikers, er kwamen afwachtenden en er kwamen teleurgestelden. Er was ook een specialist van een extern bureau. Zij verkondigde het voordeel van iedereen erbij betrekken, vaste rollen binnen alle teams, niet te grote groepjes, duidelijke afspraken en controleren of niemand zich benadeeld voelt bij de gemaakte afspraken. Dingen die het op de middelbare school ook goed doen als er gezamenlijke werkjes ingeleverd moeten worden. U weet wel: ‘jij schrijft’, ‘jij onderzoekt dit en dat onderwerp’, ‘jij maakt de powerpoint’, ‘jij doet de presentatie’, ‘vindt iedereen dat oké?’. Ook nog toegepast op de universiteit als ik het mij goed herinner.

Even wennen
Dat zou het zelforganiserende team dus als de gesmeerde donder moeten laten lopen. Oh, maar wacht even, zei ze nou net dat het wel drie tot vijf jaar kan duren voordat een team echt helemaal gewend is aan deze situatie? Dat je het rustig moet opbouwen en gefaseerd verantwoordelijkheden in het team moet leggen? Dat is wel een tegenvaller natuurlijk. Een aantal van onze klanten had namelijk vrij rigoureus een complete managementlaag uit het personeelsbestand gesneden. Die was dan nog wel handig geweest als coach of iets dergelijks. Oeps.

Drie tot vijf jaar wennen. Persoonlijk vind ik het vrij lang. Zeker gezien de hoeveelheid wisselingen van personeel die je vermoedelijk hebt in dit tijdsbestek. Wennen mensen dan ooit wel echt? Bovendien, over vijf jaar ziet dit hele idee van zelforganiseren er natuurlijk weer heel anders uit; wie weet hoe we het dan moeten noemen ook. Dan is het maar de vraag of dat komt doordat mensen stiekem gewoon niet konden wennen aan het oorspronkelijke idee, of dat er weer een nieuwe theorie is ontwikkeld op basis van nieuwe inzichten. En wie zegt dat we daar niet weer drie tot vijf jaar aan moeten wennen.

Blije cliënt
Goed, goed, ik ben een beetje cynisch. Ook niet helemaal eerlijk. Er steekt namelijk een nobel streven achter het zelforganiseren, waar ik echt geen kwaad over durf te spreken: blije cliënten. “Het doel is minder verschillende verzorgers bij de cliënten langs te sturen. Dat zorgt voor meer transparantie en kortere lijnen. Onderzoeken onder onze cliënten wijzen uit dat men inderdaad tevredener is sinds we met zelforganiserende teams werken”, aldus een enthousiaste vertegenwoordigster van een zorgorganisatie waar zelfsturende theorie al een tijdje zelforganiserende werkelijkheid is. “We zijn nu bezig om ook onze stafafdelingen zelforganiserend te maken. Zo ver gaan we gewoon.”

Dunne portemonnee
Schoorvoetend wordt er door enkele andere praktiserende zelforganiseerders toegegeven dat geld natuurlijk ook een rol speelt. “Maar het levert voorlopig nog weinig op. Op overhead besparen we kosten, maar zo’n project –  want dat is het – kost een hoop geld. En de productie van de zorgmedewerkers is ook lager nu ze meer en andere verantwoordelijkheden erbij krijgen.” Overgangstrajecten naar een compleet andere manier van werken kosten geld. Logisch ook. Maar uiteindelijk zou dat tij natuurlijk moeten keren en kosten moeten besparen. Ooit.

Maar als de portemonnee er niet op enigszins korte termijn beter van wordt – er op dit moment misschien zelfs beroerder aan toe is – wat is dan de overlevingskans van deze nieuwe methode?  Zeker nu bezuinigingen in de zorg aan de orde van de dag zijn. Want, of we dat nou leuk vinden of niet, er moet natuurlijk wel geld verdiend worden en het liefst meer dan we uitgeven als organisatie. De blije cliënt als streven is prachtig. Het is ook waar dat blije cliënten zorgen voor meer blije cliënten, want mond-tot-mond reclame is een krachtig wapen. De vraag is of dit de gaten kan dichten.

Menselijke aard
En ik ben geen kenner van organisaties en al helemaal niet van strategische beleidsvorming, maar de menselijke aard is mij niet vreemd. Ik heb er immers zelf één. Met dat in het achterhoofd vrees ik voor de toekomst van zelforganiseren. Ik stel mij de gedachtengang van een bestuurder (of Raad van…) ongeveer zo voor:

‘Het kost ons best wel veel geld op dit moment en het kan wel vijf jaar duren voordat het beter wordt? Wat kunnen we doen om onze uitstekend uitgedachte strategie zo aan te passen dat het me minder geld kost? Misschien kunnen we weer wat dingen centraal gaan leggen. HRM-gerelateerde zaken, ofzo? Ja, daar hebben ze echt geen kaas van gegeten in de teams en het interesseert ze ook niet echt. Kunnen ze weer lekker productieve uren maken. Uhm, oh ja, ik had op HR ook vijftig procent bezuinigd. Nou ja, we kijken wel even hoe het gaat. Dat loopt vast wel los.’

Cynisch? Mwah. Dit gebeurt al in de werkelijkheid. Met worstelingen, matige mogelijkheden tot ondersteuning van het personeel en frustraties alom tot gevolg. Of dat nu zo goed is voor de klantbeleving valt natuurlijk te betwisten.

Anders
Ook de succesverhalen waren doorspekt met saga’s over strubbelingen en ‘ja daar zijn we nu over in discussie’-achtige opmerkingen. Het valt in elk geval niet mee. En HRM staat in het midden van al deze veranderingen. De een noemt het een uitdaging, de ander ‘gelooft er niet in’ en dan zijn er natuurlijk nog de realisten. De mensen die met een zekere gelatenheid de werkelijkheid af en toe even op scherp zetten met opmerkingen als: “ach ja, ik weet niet of het efficiënter of kostenbesparend is. Het is gewoon anders eigenlijk.”

Zelfsturende teams: gewoon anders eigenlijk

Ode aan de zondebok

big-BEnl0411_9Ik zit in de trein met mijn oom en praten wat over het werk. “Wij hebben nu allemaal een flexplek”, vertelt hij met twinkelende ogen. Ik verwijs naar mijn blog over veranderingen en de ‘vaste flexplek’. Hij grijnst bevestigend; die heeft hij gelezen. En inderdaad, hij heeft een vaste flexplek. Een en dezelfde collega schuift in de regel aan bij het aangrenzende bureau. Nog zo iemand met een vaste flexplek. “Ik weet niet of mensen niet bij mij willen zitten of bij hem, maar ik mag hem wel”, zegt mijn oom. Hij vertelt over zijn collega die iedereen formeel goedemorgen, goedemiddag en goedenavond wenst bij het passeren van zijn ‘flexplek’. En als er niet geantwoord wordt, uit hij een hooghartig ‘nou, dan niet’. “Dat vinden sommige mensen behoorlijk irritant”, grinnikt mijn oom, “maar ik lach me kapot.”

Dwangneuroses
Collega’s, je hebt het er maar mee te doen. Er kunnen vreemde snuiters bij zitten. Zo werkte ik ooit met iemand die heel onsmakelijk omging met zijn lunch en niet zelden heb ik mensen ontmoet die dwangmatig snuffen met hun neus, tikken met hun voet of klikken met een pen. En als je er eenmaal op let… Een vriend vertelde over een collega die bij het opgaan van de trap, op de derde trede altijd iets wat het midden houdt tussen een kuch en een grom ten gehore bracht. Zelf was het hem nog niet opgevallen, maar iemand anders wees hem erop. En sinds die tijd hoort hij niets anders dan die kuch. Hij kucht zelfs mee.

Het team
Toch moet je ermee samenwerken. Dan valt ritmisch klikken met een pen of bijvoorbeeld veel te hard telefoneren nog wel mee, maar er zijn gevallen waarin jij en je collega elkaars bloed wel kunnen drinken. Dan maakt fatsoenlijk communiceren en samenwerken vaak behoorlijk complex. Een vriendin vertelde over een collega die in alle clubjes van het werk zit: de PV, de feestcommissie, de OR, BHV; alles. Aan echt werken komt ze niet meer toe. Ten nadele van haar collega’s, die al haar werkzaamheden moeten overnemen.

Wat gebeurt er dan? Er wordt gepraat. Alle andere collega’s op de afdeling – of binnen het hele bedrijf als de persoon in kwestie pech heeft – vormen een gezamenlijke mening over deze ene persoon. En als de collega in kwestie de kamer verlaat, beginnen de tongen al snel te ratelen. “Gaat ze nou alweer naar de WC?” “Misschien gaat ze wel naar Johan op de verkoop. Ik weet niet hoor, tussen haar en Johan, maar volgens mij speelt daar meer…” “Nou ja, ondertussen zal ik dat ene klusje dan maar weer voor haar doen.” “Toen ik net langs haar bureau liep, klikte ze gauw alle vensters dicht. Ik vind het verdacht.”

Zondebok
Het team heeft een gezamenlijke zondebok. En niets is beter voor het teamgevoel dan een gezamenlijke zondebok. Ik werk sinds mijn 16e en overal waar ik heb gewerkt hadden we er één. Gelukkig was ik het nooit zelf overigens. Soms is het de baas, of het hulpje van de baas, maar meestal is het gewoon iemand waarvan iedereen vindt dat hij zijn werk niet goed doet. Opmerkingen als ‘niet dat ik het beter zou kunnen hoor, maar wat hij nu weer heeft gedaan’ vliegen dan achteloos in het rond. En meestal is iedereen het er roerend mee eens, want dat is goed voor het wij-gevoel.

Wat ik ook heb gezien is dat bij het wegvallen van de oorspronkelijke zondebok – die na alle pesterij heeft besloten zijn heil elders te zoeken bijvoorbeeld – er als vanzelf een nieuwe zondebok wordt gekozen. Een uniekere, maar ook op ervaring gestoelde situatie, bestaat als een originele zondebok door het team wordt vervangen door een nieuwe zondebok. Meestal omdat het nieuwste zwarte schaap nog slechter functioneert dan zijn voorganger; aldus het team.

Ouderwets pesten
Waar het natuurlijk op neer komt is ouderwets pesten. Dat komt vaak voort uit een onzekerheid van de pestkop(pen). Als degene die gepest wordt minder is dan ik, dan zal ik wel geweldig zijn. Mensen hebben van nature de neiging zichzelf geweldig te willen vinden. Dat noemen we zelfvertrouwen en dat vindt iedereen volkomen normaal. Een gezamenlijke zondebok heeft dan vervolgens het resultaat dat niet één persoon zich beter voelt, maar een hele groep het eigen kunnen en presteren hoger acht dan dat van de onfortuinlijke collega. Al dat zelfvertrouwen en het groepsgevoel heeft dan weer zijn uitwerkingen op het functioneren van de pestkoppen. Die staan namelijk een stuk zekerder in hun schoenen en leveren vermoedelijk dus beter werk af. ‘Kijk eens wat ik kan en hij niet?!’

Moet dat nou zo?
Je kunt je natuurlijk afvragen of dat nou zo moet? Op zich niet natuurlijk. Er zijn wel honderd andere methoden waarop een team goed kan samenwerken en mensen zelfvertrouwen kunnen krijgen. Ik zou het aanwijzen van een gezamenlijke zondebok ook niet willen verdedigen. Feit blijft echter dat ik nog nooit ergens heb gewerkt waar geen zwart schaap rondliep. Het lijkt onvermijdelijk.

Daarom bij deze een ode aan de gezamenlijke zondebok. Lieve zondebok, bedankt dat je een beetje vreemd bent of dat je misschien net te weinig je best doet op het werk. Bedankt dat je altijd in staat bent mensen te blijven verbazen. Bedankt dat je die dikke plaat voor je hoofd houdt als er weer iemand een sneer naar je maakt. Bedankt dat je koppig en volhardend met een glimlach op kantoor blijft verschijnen. Bedankt. Dankzij jou lopen alle collega’s een stukje harder en hebben ze iets om samen over te lachen, te huilen en te klagen. Beste zondebok, zonder jou zou het hele bedrijf een stuk minder goed presteren. Je bent een topper.

Ode aan de zondebok

Hallo, ik ben een millennial

millennial-generation-workplace-casual-620px-620x412Ja, ja, ik ben er één. Aangenaam kennis te maken, Kim Stokkers, millennial. Lachen, hè? Ik hoor er helemaal bij. Die ongrijpbare generatie waarvan mensen niet zo goed bevatten wat ze beweegt, wat ze boeit (voor langer dan vijf seconden) en waarom ze de hele dag met een smartphone in de hand zitten. Het houdt mensen bezig. Want wij millennials zijn de leiders van morgen, zeggen ze. Dus het is belangrijk om te weten wat je te wachten staat op dat gebied. Zal ik, als ervaringsdeskundige, eens proberen er een lichtje op te schijnen?

Existentie
Maar voordat ik begin, ik hoor er maar nèt bij hoor. Het begint bij baby’s uit omstreeks 1980, helemaal tot aan kinderen die geboren zijn in 2000. Zelf ben ik uit ’83. Krap aan dus. Ik vind het nogal wat om kinderen uit zo’n twintig jaar wereldgeschiedenis in één generatie te proppen. Maar goed, wie ben ik. Ik zat laatst op de verjaardag van mijn neefje. Hij werd 18. Ik was ongeveer even goed met mijn smartphone en YouTube. Ik zat er alleen iets minder mee te pielen. Dus oké, misschien horen we toch bij elkaar.

Wat houdt onderzoekers dan bezig over de gemiddelde millennial? Dat zijn existentiële vragen als: wat maakt deze mensen blij? In de HR sfeer: hoe zorgen we ervoor dat we een aantrekkelijke werkgever zijn voor deze generatie en hoe kunnen we de talenten binnenhouden? En natuurlijk de potenties en vaardigheden van deze club. Een flinke kluif. En laten we eerlijk zijn, ook niet heel gemakkelijk te beantwoorden. Want even voor de duidelijkheid, we hebben het hier wereldwijd over 1,8 miljard individuen. Vrij veel mensen.

Nu
Laat ik dan vooral ook niet pretenderen voor al deze mensen te spreken, maar mijn mening is: #boring. Het is heus niet zo ingewikkeld. Onze gemeenschappelijke drijfveer is eenvoudigweg het moment. Ik, als rasechte generatie Y, leef in het nu. Ik wil nu nieuws, ik wil nu een foto kunnen maken van wat ik aan het doen ben, ik wil nu mijn gedachten in een appje kunnen stoppen, ik wil nu een antwoord op die ene vraag die in me opborrelt. Ik wil het nu, nu, nu. En snel ook. Ik wil op mijn telefoon in mijn agenda-app op het adres kunnen drukken in de afspraak en direct via Google maps vernemen hoe ver het rijden is. Iets moet vooral niet te lang duren, want dan ben je mijn aandacht alweer kwijt. Dan wil ik namelijk alweer iets anders; en wel nu.

Een echte millennial is verwend. Verwend door technologie, een extreem consument- en klantgedreven economie en waarschijnlijk de ouders. Dan zou je denken dat het een stelletje narcistische, egoïstische, machtslustige eikels bij elkaar zijn, maar dat is nu juist de grap. We zijn verwend en verwachten alles nu, nu, nu – en dat krijgen we ook! Waarom zit ik de hele dag op mijn smartphone? Dat ding vervult zo ongeveer iedere behoefte die er maar in me kan opkomen op een gelegen moment. Een paar dingen daargelaten uiteraard. Het ding produceert vooralsnog geen brownies, bijvoorbeeld.

Tijd over
Doordat onze behoeften en wensen sneller worden vervuld, houden we tijd over. Tijd om ons bezig te houden met de wereld om ons heen, of met het koken van heel erg verantwoorde biologische culinaire hoogstandjes en tijd om ons te ontplooien als mens. Soms denk ik wel eens dat we teveel tijd over hebben. Het resulteert namelijk met enige regelmaat in pretentieuze drukdoenerij om niks. Van stervende AH moestuintjes in de vensterbank, tot op zoek gaan naar je creatieve zelf met een cursus haken.

In de regel betekent het echter ook dat we lang niet zo individueel zijn als wel eens wordt vermoed. We nemen de tijd om samen te werken in een team en staan in feite de hele dag in verbinding met elkaar. Weliswaar niet fysiek, maar wel digitaal. We zijn ook lang niet zo oppervlakkig als soms wordt gedacht. We hebben tijd over, dus we staan graag stil bij het waarom van dingen. We willen de wereld een beetje mooier maken, als het even kan. En waarom? We verwachten plezier, voldoening en meerwaarde van het leven. Als de wereld mooier is, dan worden we daar toch allemaal vrolijker van?

Dus delen we. We delen vanalles op social media. Dingen waar we om moeten lachen, dingen waar we om moeten huilen, dingen waarvan wij vinden dat ze aandacht verdienen. En we delen spullen. We delen auto’s, ons huis en noem zo maar op. Bovendien houden we van Marktplaats en tweedehands spullen. Geven dingen een tweede leven.

Leiders van morgen
Dus die leiders van morgen, wat mogen we daarvan verwachten? Hoe kunnen organisaties zich wapenen tegen dit volk? Ik zou zeggen: go with the flow. Dat doen wij ook. Zorg ervoor dat je aantrekkelijk bent om voor te werken, door mensen ruimte te geven en kennis te delen. Zorg ervoor dat de sfeer goed is en dat er op gelijkwaardig niveau wordt samengewerkt en –gespeeld. Wees er zeker van dat mensen snel, efficiënt en aangenaam kunnen werken met de middelen die worden aangeboden. Niemand heeft iets aan haperende software, oude telefoons en trage computers. Als ik op mijn werk daar dag in dag uit mee geconfronteerd zou worden, zou dat voor mij reden zijn om te vertrekken.

De leiders van morgen sturen hun mensen aan op individuele kwaliteiten en hopen op synergie in hun team. Samen een resultaat behalen en daarmee de wereld mooier maken, dat is het ultieme doel. Dat we daarbij soms liever mailen dan langslopen, of tijdens een seminar ondertussen whatsappen met drie collega’s en twee vriendinnen, dat is een gegeven. Dat heeft met desinteresse of onpersoonlijk gedrag niets te maken. Dan zijn we gewoon in ons element. Het moet namelijk nu en snel. Snapt u wel?

Hallo, ik ben een millennial

Het niet zo Nieuwe Werken voor niet zo ochtendmensen

not morning personIk sta op. Een dwingend, huilend kind. Met mijn ogen half toegeknepen stommel ik naar zijn kamer. Hij staat rechtop in zijn ledikant. Zijn dag is begonnen. Die van mij nog niet echt. Die van mijn man al helemaal niet. Die zou het nog niet horen als zoonlief ineens een interesse in buskruit zou ontwikkelen en uittesten, terwijl hij zelf nog in dromenland vertoeft. Ik doe de lamp aan. Mijn ogen knijpen uit reflex dicht. Die van de kleine ook. ‘Dit kan toch niet de bedoeling zijn’, hoor ik mezelf mopperen.

Nachtmens
Ik ben geen ochtendmens. Ik ben een avondmens. Misschien zelfs wel een nachtmens. Sinds ik kinderen heb ben ik noodgedwongen ook een ochtendmens geworden. Vermoeiender wordt het niet in het leven, denk ik. De avond ervoor voelde ik me nog heel wat. ‘Ja, lekker hoor, doe nog maar één wijntje.’ Ik hoor het mezelf nog zo zeggen. Voor je het weet lig je pas om kwart voor één ’s nachts in bed te rekenen hoeveel uur je nog hebt om te slapen.

In ons toilet hangt daarom een tegeltje: ‘Brak? Vanavond gaat het wel weer.’ En zo is het ook. Kruip ik ’s morgens als halve zombie uit bed; kome de avond ben ik alweer een hele dame. En zo gaat het dag in, dag uit. De eerste helft van de dag ben ik soms gewoon geen stuiver waard. Als ik individueel taken moet uitvoeren op een computer, kun je me dat beter vanaf een uur of vier ’s middags laten doen. Dan gaat het als een trein. ’s Ochtends heb ik vrij veel dubbele espresso’s nodig voor hetzelfde resultaat. Het moge duidelijk zijn dat ik over het geheel genomen dus teveel koffie drink.

Kantoortijden
Maargoed, ik heb me aan te passen. Enerzijds aan de kinderen, waarvan er één in elk geval wèl een ochtendmens is. Anderzijds aan mijn werk. In Nederland hebben we afgesproken dat er gemiddeld genomen tussen negen en vijf wordt gewerkt. Dat is handig om met zijn allen tegelijk te doen, want dan kun je elkaar bellen enzo. Niet zo relaxed dus, als je over het geheel genomen tien keer productiever bent buiten deze tijden. Niet zo relaxed voor jezelf, maar ook niet voor je baas.

Daarom – en nog honderd andere redenen – is er tegenwoordig Het Nieuwe Werken (met hoofdletters ja, want je mag het officieel afkorten naar HNW). Op eigen tijden, op flexibele plaatsen je werk uitvoeren. Echt iets voor een nachtvlinder als ikzelf. Ware het niet dat ik ’s ochtends toch al word gewekt door een knorrige baby. Dan kan ik me maar net zo goed naar kantoor slepen.

Nieuw, nieuw…
Het Nieuwe Werken is natuurlijk niet meer zo nieuw. Zo rond 2009 begon de term zich in ons arbeidslandschap te vestigen, destijds met name aangejaagd door technologische ontwikkelingen. Het werd steeds beter mogelijk voor werknemers om buiten kantoor beschikking te hebben tot dezelfde systemen als binnen het kantoor. Thuiswerken was een logisch gevolg, waarop Het Nieuwe Werken is geïntroduceerd.

En zoals met alles wat nieuw is, waren er nog wat kinderziektes. Er moesten ineens thuiswerkplekken komen, kantoorpanden liepen fluctuerend leeg, werknemers hadden stress over de verwaterende scheiding tussen werk en privé en werkgevers vonden het maar lastig dat ze geen idee hadden wat hun mensen thuis allemaal uitspookten. Na een tijdje leek de veelbelovende trend alweer uit te sterven.

Resultaten
Wat bleek nou? Er werd nog veel te veel gedacht in uren in plaats van resultaten. ‘Hoe weet ik nu of mijn medewerker wel acht uur heeft gewerkt vandaag?’ Tsja, dat weet je niet. Misschien heeft hij tussendoor wel de afwas staan doen. De enige vraag die telt is echter: ‘is zijn werk af?’ Als die vraag met een volmondig ‘ja’ beantwoord kan worden, doet de tijd die hij erin gestopt heeft er al een stuk minder toe. Hij blij, baas blij, bedrijf blij. Tegenwoordig lijkt dit meer een trend te worden: resultaatgericht aansturen, in plaats van productiegericht. Iets wat Het (niet meer zo) Nieuwe Werken alleen maar ten goede komt.

Ik las een artikel waarin een aantal grote Amerikaanse organisaties dweepten met hun ‘flexibility’ en ‘scheduling benefits’. Waar het op neer kwam werd goed samengevat door een dame van een advocatenkantoor: “We find employees are most productive when their schedule works for them, rather than being confined to adult study hall.” Zo lang mensen op tijd komen voor vergaderingen en afspraken, wordt er over een uurtje hier of daar niet moeilijk gedaan. “I’ve found that if my employees aren’t stressing out about little things like being five minutes late, than they are more relaxed and therefore more creative in general.”

Individu
Zoals met alles in de samenleving gaat ook het werken zich dus meer en meer aanpassen aan de wensen van het individu. Ik ben geen ochtendmens, dus ik begin pas om elf uur met werken. Of, ik heb jonge kinderen die ik toch naar school moet brengen, dus ik ben er om kwart voor negen. En dan heb je nog de categorie, die ik van mijn levensdagen niet zal begrijpen, die het leuk vindt om ’s ochtends om zeven uur al te beginnen, want dan heb je nog zo lekker veel aan je dag.

Dus zelfs als het de grens tussen werk en privé vervaagt, één van de veelgenoemde nadelen van HNW, gebeurt dit alleen maar omdat wij er zelf om vragen. Een mooie ontwikkeling, waar nog heel veel winst en wijsheid te behalen is. Uiteindelijk gaat het er immers om een geslaagde synergie te bereiken met elkaar, gebaseerd op de persoonlijke behoeften van ieder mens. Daar worden niet alleen de mensen vrolijker en bevlogen van, maar ook een organisatie gaat daar een stuk efficiënter van lopen. Zolang het goed uitgevoerd wordt natuurlijk.

Maar eerlijk is eerlijk, vooralsnog heeft mijn individu misschien wel iets te wensen, ik heb me iedere ochtend gewoonweg over te geven aan de meest genadeloze baas die ik ooit in mijn leven zal kennen. Hij heeft geluk dat hij zo’n schattig voorkomen en innemende glimlach heeft. Je zou er bijna met plezier een ochtendmens van worden.

Het niet zo Nieuwe Werken voor niet zo ochtendmensen

De functie van de functie

Name-Tag_Job-Title‘En wat doe jij voor werk?’ Ik zit op een feestje van een collega van mijn man. Om mij heen zitten mensen die ik nog nooit eerder heb ontmoet. Een hoogzwangere vrouw, een jonge moeder en een man die bij één van de twee eerder genoemden hoort. Ik zit mijn zoontje een fles te geven. ‘Sorry? Had je het tegen mij?’ Drie paar ogen zijn in mijn richting gedraaid. Het antwoord op mijn vraag is duidelijk ‘ja’. ‘Ik doe iets met sales en software’, antwoord ik ontwijkend. Ik verzit een beetje en probeer me te concentreren op het drinken van mijn zoon.

Radio reclames
‘Oh, waar dan’, vraagt de man van één van de vrouwen na een bedriegende stilte. Ik antwoord: ‘Visma’. De uitdrukking op de gezichten van mijn aanhoorders blijft blanco. ‘Van de radio reclames’, roept één van de dames plots verrukt uit. Ze heeft gelijk. Ik werk bij Visma van de radio reclames.

‘Maar wat doe je dan precies? Wat is je functie?’ Deze mensen zitten duidelijk om een praatje verlegen. Ik wil met tegenzin mijn mond opendoen om ‘Presales consultant’ te zeggen, als ik luid wordt onderbroken door een boer van zoonlief. Het gesprek neemt per direct een wending naar het acceptabele doch asociale gedrag van baby’s. Saved by the burp.

Wàt?
Want leg het maar eens uit: ‘Presales consultant’. Ik heb menigeen in de glazige blik gestaard, terwijl ik mijn functie probeerde uit te leggen. Vaak ben ik ze al kwijt bij de term demo. Als het je ding niet is, dan weet je er ook echt niks van. Ondertussen word ik omgeven door mensen met overzichtelijke functietitels: journalist, magazijnbeheerder, helpdeskmedewerker, monteur, gastouder, uitgever en noem ze maar op. Geen hogere wiskunde. Je weet ongeveer wat deze mensen doen.

Eerlijk is eerlijk; er zijn ook genoeg mensen in mijn omgeving waarvan je al gauw geen flauw idee hebt wat hun werk inhoudt. Wat doet bijvoorbeeld een Lean Manager? En hoe vult de Product Owner haar dag? Ik scroll door mijn lijstje met LinkedIn contacten. Ik zie een Interaction Designer, Senior Consultant, Senior Strategic Client Partner, Proces Manager en een SEO Specialist. En dat is slechts een selectie. Geeft niks hoor, als jij het bent die deze titel draagt. Vergeet niet dat dit is geschreven door een Presales consultant. Ik bedoel maar.

Engels
Misschien komt het door al dat pretentieuze Engels in functietitels. Dan lijkt het misschien heel wat, maar ondertussen betekent het helemaal niks. Wat nou als ik gewoon een Voorverkoop adviseur was geweest? Was het dan logischer geweest? Mwah, hè?

Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten hoe ik mijn werk in één of twee woorden zou moeten omschrijven. In het Nederlands ziet het er eigenlijk ook nogal truttig uit. Dan maar gewoon flitsend Engels. ‘Hi, Kim Stokkers, Presales consultant’. Ja dat bekt toch lekkerder. Is trouwens ook heel erg mondiaalproof enzo. Voor het geval ik mijn functietitel wereldwijd van de daken wil schreeuwen. Je weet maar nooit.

Interessant
Zouden we er met zijn allen bewust voor kiezen om bepaalde functietitels maar een beetje vaag te houden? Gewoon zodat we het niets hoeven uit te leggen. Heb je ook nog kans dat mensen het bij voorbaat al heel erg interessant vinden klinken. ‘Wow, Director, dat klinkt vet. Dan zal je wel heel erg belangrijk zijn.’ Een beetje imponeren, zonder dat je er echt iets voor hoeft te doen.

Zo vind ik bijvoorbeeld dat de term consultant al heel snel de bijsmaak heeft dat je echt enorm veel weet. Waarom zouden mensen je anders consulteren? Nou is het ook wel zo dat een consultant vaak behoorlijk op de hoogte is van zijn of haar vakgebied, maar ik denk ook dat de term soms wat te losjes wordt gebruikt. Alsof iedereen zich maar te pas en te onpas consultant mag noemen. Om maar even in de babysfeer te blijven: tijdens mij borstvoedingsperiode heb ik advies gekregen van een lactatie consultant. En inderdaad, zij voorzag mij van nuttige tips en adviezen, maar consultant… ik vond het ver gaan.

Manager
Ik vond een mooi artikel over de waarde die men hecht aan de eigen functietitel. In dat artikel werd gesteld dat mensen in hightech bedrijven worden gepaaid met een tot in het belachelijke doorgedreven holle functietitel, zodat de directie onder loonsverhogingen uit kan komen. Dit heeft als direct gevolg dat de titel manager bijvoorbeeld enorm is gedevalueerd.

Toen ik nog als journalist werkte – lekker overzichtelijke titel – lachten we op de redactie altijd om iedereen met de titel manager. We noemden onszelf toetsenbordmanager en managden wat af op de toetsjes. Ook denk ik terug aan The Office, waar dat ene irritante personage Assistant ­to the Manager werd gemaakt, in plaats van Assistant Manager. Geniaal.

Het idee
Om het beter te begrijpen moeten we misschien nadenken over het idee van de functietitel. Waarom hebben we die titel nodig? Gewoon zodat mensen weten wat we doen? Dat lijkt niet helemaal te werken, want ik sta het – als ik niet uitkijk – alsnog uit te leggen op feestjes.

Het doel van de functietitel is inderdaad, zoals eerder gesteld, imponeren. Iemand koopt blijkbaar toch liever iets van een senior accountmanager dan van een verkoopassistent. Hoe pretentieuzer de titel, hoe geloofwaardiger de persoon overkomt. Hoewel daar bij verkopers misschien nog over te twisten is.

Al met al houden we elkaar dus lekker voor het lapje. En het lijkt nog te werken ook. Ik ben benieuwd wanneer ik de eerste huisarts tegenkom die zichzelf Health Care and Primary Psychological Consultant noemt. Of een glazenwasser die zichzelf voorstelt als Window Cleaning Officer. Het eind is nog lang niet zoek. Ik zal in het vervolg mijn functie maar met meer trots dragen. Wat kan het schelen dat niemand weet wat het betekent? Dan begin ik toch gewoon over baby’s?

De functie van de functie

Ambitie is voor watjes

paleontoloog‘Wat wil jij later worden?’ Die vraag hebben we als kind allemaal gekregen. Het ene kind antwoordt daar conventioneel op: juf, politieman, moeder. Dat soort dingen. Het andere kind is iets uitbundiger in zijn of haar keuze. Zo antwoordde ik na het zien van Jurassic Park steevast ‘paleontoloog’ op deze vraag. Laten we zeggen dat die droom niet helemaal van de grond is gekomen. Maar toekomstdromen zijn zelden realistisch als je klein bent.

Goed in talen
Al vanaf het moment dat je op de middelbare school voor de keuze wordt gesteld of je iets met natuurkunde, economie, taal of kunstzinnigheid wilt doen, begint zich een voorzichtig beeld van de toekomst te vormen. Je bent goed in talen, dus kun je daar je pijlen maar het beste op richten. Dat lijkt realistisch, maar is dat het ook? Wat kun je nu eigenlijk ‘worden’ met een stevige basis in de letteren? Docent, vertaler, journalist dat soort dingen. Is dat een realistisch doel? Waarschijnlijk wel. Je gaat ervoor.

Maar dan ga je studeren, taal en cultuur studies. Ja, dat klinkt heel logisch. Je komt de collegezaal binnen, waar heel veel mensen zitten die vinden dat ze wel goed zijn in iets met talen. Anders zaten ze er niet. Je knikt vriendelijk. Dat zijn een hoop concurrenten voor die docentenfunctie. En als vertaler of journalist aan de bak komen is nog ingewikkelder. Je volgt de colleges, haalt aardige resultaten, gaat met plezier naar je bijbaan, hebt het gezellig op zaterdagnacht en haalt na een jaar of vijf – studievertraging hoort erbij – je diploma. Je bent gespecialiseerd in literatuurwetenschap. Master of Arts mag je jezelf noemen. Gaaf. Je ouders zijn trots.

Andere mogelijkheden
Je werkt een tijdje als journalist, waar je wordt uitgebuit tegen minimumloon. Dus je solliciteert verder. Goede mensen zijn schaars en toch kom je niet aan de bak. Iets met ervaring, sorry hoor. Afwijzing na afwijzing belandt op je deurmat. Je wordt moedeloos en onderzoekt andere mogelijkheden. Traineeships, het leger, eigenlijk alles waar je maar voor betaald wordt. Je komt terecht bij een detacheringsbureau voor jonge professionals. Je voelt jezelf nog niet echt een professional, maar dat schijnt hiervoor ook niet noodzakelijk te zijn. Je stuurt ze een mailtje. Een dag later krijg je al bericht dat je deze week een IQ test mag komen maken. Wow, geen afwijzing. Je trekt je beste outfit aan – zie ik er zo uit als een professional? – en stapt in de trein naar de grote stad waar dit bureau zich bevindt.

Met vlag en wimpel slaag je voor de (tweede… ahum…) test. Je bent slim genoeg; wel lekker die bevestiging. Er volgt een gesprek en nog een gesprek. Het klikt wel met deze mensen. Vinden zij ook, dus je mag er komen werken. Ze detacheren IT-professionals. Je gaat iets met software doen. Je krijgt wat basistrainingen in iets met programmeren en dan kun je er wel tegen. Prima, denk jij, het betaalt en dit zijn gezellige mensen.

Muteren
En zo beland je met je Master of Arts bij een softwarebedrijf. Je leert vanalles over SQL, databases, koppelingen, weboplossingen en implementeren. Je hoort dat het invoeren van een wijziging in een software systeem ‘muteren’ heet. Wat een rare naam. Je denkt aan de Turtles. Je gaat erin mee. Je bent slim genoeg, dus je hebt het snel in de vingers. Voor je het weet implementeer je de ene klant na de andere, met je achtergrond in literatuurwetenschap. To be or not to be, denk je, terwijl je weer een vinkje omzet in de applicatie.

Je wisselt van baan. Ander softwarebedrijf, soortgelijke functie. Je bent weer lekker bezig en dan is er ineens een mogelijkheid op sales. Heb je zin om bij ons te komen werken, vraagt de baas van sales. Waarom niet, denk je. Je stapt over. Er is veel te leren. Presenteren was nooit je hobby, maar ach, wie niet waagt niet wint. Je wordt er beter in. Je leert hoe een goede demonstratie werkt en wat het verkoopvak inhoudt. Zo stap je vanuit je oude comfortzone in een nieuwe comfortzone. Weer wat geleerd.

Ambitie
En nu? Nu niks. Er wordt nog steeds wel eens gevraagd wat je later wilt worden. Je hebt geen idee. Ooit had je een soort van plan, paleontoloog, maar dat is toch niet gelukt. En het lijkt erop dat het vanzelf wel op zijn pootjes terecht komt als je je er niet te druk over maakt. Ambitie is voor watjes, roep je dan maar op die vraag. Zolang je niet hoeft te veranderen is het heerlijk aanmodderen. En als de verandering zich aandient, steek je je hand wel op. Dat lijkt misschien doelloos, maar daar kun jij je niet druk over maken. De toekomst komt vanzelf en jij bent allang blij dat je er deel van mag uitmaken. Trouwens, aspirant paleontologen zijn sowieso niet zo op de toekomst gericht.

Ambitie is voor watjes

Even mijn ‘activity tracken’

ballonnen-aan-de-trapIk heb zojuist mijn kerstpakket(je) ontvangen. Dat is toch ieder jaar weer zo’n vol-verwachting-klopt-ons-hart-momentje. Het is maar een klein doosje, dus mijn angsten voor ingeblikt fruit en oneindig houdbare ragout verdwijnen al gauw. Een kerstkaart en een driehoekig doosje komen uit de verpakking tevoorschijn. Op de kaart staat iets over inzet en een aantal dankbetuigingen van een CEO die ik persoonlijk nog nooit de hand heb geschud. Het doosje laat nog wat te raden over. Er staat ‘Loop’ op.

Al gauw deins ik terug. De subtitel ’24 hour activity tracker’ schrikt me af. Activity tracker? Even googlen. Oh, het is een soort stappenteller. Nou ja, als ik dan toch aan het googlen ben, wat kost dat ding eigenlijk? Zo… dat is niet niks. Jammer dat ik hem nooit zelf uit zijn verpakking ga halen. Op zich houd ik namelijk wel van dure gadgets…

Ik ben onderdeel van een probleem zie ik later echter. Voor dit blogje ben ik even op zoek gegaan naar wat controverse rondom beweging op het werk. En wat blijkt, ik voldoe niet aan de norm. Er is namelijk een norm. Een norm met zijn eigen afkorting zelfs: NNGB (Nederlandse Norm Gezond Bewegen). De inhoud van die norm had ik al wel eens eerder gehoord: vijf dagen per week 30 minuten enigszins inspannend bewegen.

Ik houd niet zo van sporten. Daarnaast heb ik zittend werk. Ik heb wel twee kinderen, dat zorgt wel voor enige (onbewuste) activiteit en wandelingen achter een kinderwagen. Maar echt inspannend (lees: rennen, flink fietsen of iets met een bal of balletje), nee. Ik vind het niet leuk. Maar nu blijkt dat ik daarmee mezelf langzaam vermoord. Ik lees: “Als de gezondheid en fitheid van werknemers niet verbetert, dan liggen namelijk gezondheidsrisico’s op de loer: slechte conditie, stress, RSI, chronische aandoeningen en toenemend ziekteverzuim.” (bron) Ik voel me niet gestresst, mijn polsen werken nog prima en ik ben bijna nooit echt ziek. Moet ik me toch zorgen maken?

Los van of ik in beven zou moeten uitbarsten, zijn deskundigen ervan overtuigd dat we mensen in de benen moeten krijgen, want anders… Zo worden er allerhande handige tips voor werkgevers gegeven om het personeel te stimuleren iets meer te doen dan computeren. In de categorie open deur: laat je mensen traplopen en voorkom liftgebruik. Er staat niet bij hoe overigens. De trap versieren met ballonnen en de lift ‘vergeten’ schoon te maken? Andere opties zijn bijvoorbeeld parkeerplekken verderop, fietsplannen en interne mail ontmoedigen zodat mensen elkaar moeten opzoeken. Er is allemaal iets voor te zeggen. Ik vraag me af of het voor mij zou werken. Als ik mijn collega’s niet mag mailen, dan bel ik ze wel…

Sommige adviezen gaan verder. Werkgevers worden aangestuurd een diëtiste langs te laten komen waaraan werknemers voedingsadviezen kunnen vragen, werkplekken moeten worden ingericht met omhoog-omlaag tafels zodat je afwisselend kunt zitten en staan, er moeten pingpongtafels worden aangeschaft en natuurlijk zijn er nog de gratis zwem- en fietsabonnementen. De resultaten zijn er natuurlijk dan ook wel naar, als ik de experts mag geloven. “Nederland kan op jaarbasis een bedrag van €240 – 380 miljoen besparen op verzuimkosten. Vooral het stimuleren van intensief bewegen blijkt winstgevend. Naast minder arbeidsverzuim zijn er voor een bedrijf nog tal van andere positieve effecten: duurzame inzetbaarheid, verhogen productiviteit, sociale cohesie en een aantrekkelijker imago.” (bron) Dat is ongetwijfeld waar en ik durf het eigenlijk niet tegen te spreken.

Nu mensen zoals mijzelf nog aansporen om de luiheid los te laten. Een hele uitdaging. Mijn werkgever heeft het in elk geval geprobeerd. En dat vind ik bewonderingswaardig. Voor mij is er echter wel iets meer nodig dan een stappenteller met (dit lees je goed) ‘inactivity alert’. Wat precies, dat weet ik zelf ook niet. Die met ballonnen versierde trap lijkt me eigenlijk wel wat.

Even mijn ‘activity tracken’

Woman only

woman onlyGisteren heb ik mezelf getrakteerd op een Woman only parkeerplaats. Of nou ja, ik kreeg de gelegenheid en heb er gretig gebruik van gemaakt. De Woman Only parkeerplaats lag lekker dicht bij de ingang van het gebouw waar ik naar binnen wilde gaan. Mijn collega’s (allebei niet categorie ‘woman only’) moesten iets verder lopen voor dezelfde ingang. Ik moest er eigenlijk wel een beetje om gniffelen.

Ik had ze eerlijk gezegd nog nooit eerder gezien. Een soort invalideplek voor de vrouw. Hoe meer je over zoiets nadenkt, hoe sneller er een negatieve bijsmaak ontstaat. Helemaal niet nodig, want de plekken waren bijvoorbeeld niet discriminerend breed opgezet – om maar een typisch vrouwenvooroordeel aan te halen.

Ook op de werkvloer is het verschil tussen mannen en vrouwen nog lang niet verdwenen. Er zijn typische mannenbedrijven en typische vrouwenbedrijven. Bij zorginstellingen waar ik met enige regelmaat over de vloer kom, voert de vrouwenstem de van nature hogere boventoon. Een industrieel bedrijf wordt toch met name met de lage bas van een mannenstem gevuld. Zo was ik onlangs bij een organisatie waar ze op driehonderd medewerkers maar één vrouwentoilet hadden; en zelfs die werd amper gebruikt. Lekker schoon wc-tje dus; wel jammer dat ik er drie trappen voor op moest.

Dan zijn er ook nog eens typische mannenbanen en typische vrouwenbanen. Boekhouder? Tachtig procent van de boekhouders die ik tegenkom is (soort van) breed gebouwd in de schouders en moet zich met regelmaat scheren. Echter, in verzorgende functies tref je vrijwel uitsluitend dames aan. Daar is niemand van onder de indruk. Een vrouwelijke bouwvakker of een mannelijke kraamverzorgende trekken wel bekijks. Zo ‘hoort’ het eigenlijk niet… Zo zijn we niet geprogrammeerd.

Salarissen schijnen ook nog altijd uit de pas te lopen. Het is onderzocht, dus dan zal het wel zo zijn. Zouden mannen dan meer krijgen dan ze verdienen of vrouwen meer verdienen dan ze krijgen? Het zal wel iets met de grootste mond – iets wat voor mannen nu eenmaal van nature iets minder gevoelig ligt – te maken hebben en niet zozeer met wat je gegund is. Tenminste, dat hoop ik dan maar.

De vraag is eigenlijk, hoe erg vinden we dat verschil tussen mannen er vrouwen nu eigenlijk? We kunnen mopperen over mannen aan de top, salarisverschillen of rolbevestigende functies, maar ondertussen krijgen vrouwen wel een woman only parkeerplek. Dat vinden we stiekem ook wel lekker… Mijn niet-woman collega’s houden ook de deur voor mij open, dragen mijn zware laptop in benarde situaties en laten mij voorgaan bij de lunch. Echte gentlemen dus. Daar kan een lady alleen maar van genieten, zeg ik zo.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat vrouwen niet geschikt zijn voor topsalarissen, hoge functies of echt technisch werk; natuurlijk niet! Iedereen die potentie heeft om iets te bereiken, moet hier zeker gebruik van maken. Ongeacht of dit nu een man of een vrouw is. Gelukkig zijn kansen in de moderne tijd voor beide geslachten aanzienlijk verbeterd. Vrouwen krijgen meer mogelijkheden dan ooit. Ons moederbedrijf, gevestigd in Noorwegen, heeft een bijna woman only managementlaag. In Nederland hebben we hierin nog een slag te maken. Gelukkig hebben we tot die tijd in elk geval onze eigen parkeerplek.

Woman only