Hallo, ik ben een millennial

millennial-generation-workplace-casual-620px-620x412Ja, ja, ik ben er één. Aangenaam kennis te maken, Kim Stokkers, millennial. Lachen, hè? Ik hoor er helemaal bij. Die ongrijpbare generatie waarvan mensen niet zo goed bevatten wat ze beweegt, wat ze boeit (voor langer dan vijf seconden) en waarom ze de hele dag met een smartphone in de hand zitten. Het houdt mensen bezig. Want wij millennials zijn de leiders van morgen, zeggen ze. Dus het is belangrijk om te weten wat je te wachten staat op dat gebied. Zal ik, als ervaringsdeskundige, eens proberen er een lichtje op te schijnen?

Existentie
Maar voordat ik begin, ik hoor er maar nèt bij hoor. Het begint bij baby’s uit omstreeks 1980, helemaal tot aan kinderen die geboren zijn in 2000. Zelf ben ik uit ’83. Krap aan dus. Ik vind het nogal wat om kinderen uit zo’n twintig jaar wereldgeschiedenis in één generatie te proppen. Maar goed, wie ben ik. Ik zat laatst op de verjaardag van mijn neefje. Hij werd 18. Ik was ongeveer even goed met mijn smartphone en YouTube. Ik zat er alleen iets minder mee te pielen. Dus oké, misschien horen we toch bij elkaar.

Wat houdt onderzoekers dan bezig over de gemiddelde millennial? Dat zijn existentiële vragen als: wat maakt deze mensen blij? In de HR sfeer: hoe zorgen we ervoor dat we een aantrekkelijke werkgever zijn voor deze generatie en hoe kunnen we de talenten binnenhouden? En natuurlijk de potenties en vaardigheden van deze club. Een flinke kluif. En laten we eerlijk zijn, ook niet heel gemakkelijk te beantwoorden. Want even voor de duidelijkheid, we hebben het hier wereldwijd over 1,8 miljard individuen. Vrij veel mensen.

Nu
Laat ik dan vooral ook niet pretenderen voor al deze mensen te spreken, maar mijn mening is: #boring. Het is heus niet zo ingewikkeld. Onze gemeenschappelijke drijfveer is eenvoudigweg het moment. Ik, als rasechte generatie Y, leef in het nu. Ik wil nu nieuws, ik wil nu een foto kunnen maken van wat ik aan het doen ben, ik wil nu mijn gedachten in een appje kunnen stoppen, ik wil nu een antwoord op die ene vraag die in me opborrelt. Ik wil het nu, nu, nu. En snel ook. Ik wil op mijn telefoon in mijn agenda-app op het adres kunnen drukken in de afspraak en direct via Google maps vernemen hoe ver het rijden is. Iets moet vooral niet te lang duren, want dan ben je mijn aandacht alweer kwijt. Dan wil ik namelijk alweer iets anders; en wel nu.

Een echte millennial is verwend. Verwend door technologie, een extreem consument- en klantgedreven economie en waarschijnlijk de ouders. Dan zou je denken dat het een stelletje narcistische, egoïstische, machtslustige eikels bij elkaar zijn, maar dat is nu juist de grap. We zijn verwend en verwachten alles nu, nu, nu – en dat krijgen we ook! Waarom zit ik de hele dag op mijn smartphone? Dat ding vervult zo ongeveer iedere behoefte die er maar in me kan opkomen op een gelegen moment. Een paar dingen daargelaten uiteraard. Het ding produceert vooralsnog geen brownies, bijvoorbeeld.

Tijd over
Doordat onze behoeften en wensen sneller worden vervuld, houden we tijd over. Tijd om ons bezig te houden met de wereld om ons heen, of met het koken van heel erg verantwoorde biologische culinaire hoogstandjes en tijd om ons te ontplooien als mens. Soms denk ik wel eens dat we teveel tijd over hebben. Het resulteert namelijk met enige regelmaat in pretentieuze drukdoenerij om niks. Van stervende AH moestuintjes in de vensterbank, tot op zoek gaan naar je creatieve zelf met een cursus haken.

In de regel betekent het echter ook dat we lang niet zo individueel zijn als wel eens wordt vermoed. We nemen de tijd om samen te werken in een team en staan in feite de hele dag in verbinding met elkaar. Weliswaar niet fysiek, maar wel digitaal. We zijn ook lang niet zo oppervlakkig als soms wordt gedacht. We hebben tijd over, dus we staan graag stil bij het waarom van dingen. We willen de wereld een beetje mooier maken, als het even kan. En waarom? We verwachten plezier, voldoening en meerwaarde van het leven. Als de wereld mooier is, dan worden we daar toch allemaal vrolijker van?

Dus delen we. We delen vanalles op social media. Dingen waar we om moeten lachen, dingen waar we om moeten huilen, dingen waarvan wij vinden dat ze aandacht verdienen. En we delen spullen. We delen auto’s, ons huis en noem zo maar op. Bovendien houden we van Marktplaats en tweedehands spullen. Geven dingen een tweede leven.

Leiders van morgen
Dus die leiders van morgen, wat mogen we daarvan verwachten? Hoe kunnen organisaties zich wapenen tegen dit volk? Ik zou zeggen: go with the flow. Dat doen wij ook. Zorg ervoor dat je aantrekkelijk bent om voor te werken, door mensen ruimte te geven en kennis te delen. Zorg ervoor dat de sfeer goed is en dat er op gelijkwaardig niveau wordt samengewerkt en –gespeeld. Wees er zeker van dat mensen snel, efficiënt en aangenaam kunnen werken met de middelen die worden aangeboden. Niemand heeft iets aan haperende software, oude telefoons en trage computers. Als ik op mijn werk daar dag in dag uit mee geconfronteerd zou worden, zou dat voor mij reden zijn om te vertrekken.

De leiders van morgen sturen hun mensen aan op individuele kwaliteiten en hopen op synergie in hun team. Samen een resultaat behalen en daarmee de wereld mooier maken, dat is het ultieme doel. Dat we daarbij soms liever mailen dan langslopen, of tijdens een seminar ondertussen whatsappen met drie collega’s en twee vriendinnen, dat is een gegeven. Dat heeft met desinteresse of onpersoonlijk gedrag niets te maken. Dan zijn we gewoon in ons element. Het moet namelijk nu en snel. Snapt u wel?

Hallo, ik ben een millennial

Het niet zo Nieuwe Werken voor niet zo ochtendmensen

not morning personIk sta op. Een dwingend, huilend kind. Met mijn ogen half toegeknepen stommel ik naar zijn kamer. Hij staat rechtop in zijn ledikant. Zijn dag is begonnen. Die van mij nog niet echt. Die van mijn man al helemaal niet. Die zou het nog niet horen als zoonlief ineens een interesse in buskruit zou ontwikkelen en uittesten, terwijl hij zelf nog in dromenland vertoeft. Ik doe de lamp aan. Mijn ogen knijpen uit reflex dicht. Die van de kleine ook. ‘Dit kan toch niet de bedoeling zijn’, hoor ik mezelf mopperen.

Nachtmens
Ik ben geen ochtendmens. Ik ben een avondmens. Misschien zelfs wel een nachtmens. Sinds ik kinderen heb ben ik noodgedwongen ook een ochtendmens geworden. Vermoeiender wordt het niet in het leven, denk ik. De avond ervoor voelde ik me nog heel wat. ‘Ja, lekker hoor, doe nog maar één wijntje.’ Ik hoor het mezelf nog zo zeggen. Voor je het weet lig je pas om kwart voor één ’s nachts in bed te rekenen hoeveel uur je nog hebt om te slapen.

In ons toilet hangt daarom een tegeltje: ‘Brak? Vanavond gaat het wel weer.’ En zo is het ook. Kruip ik ’s morgens als halve zombie uit bed; kome de avond ben ik alweer een hele dame. En zo gaat het dag in, dag uit. De eerste helft van de dag ben ik soms gewoon geen stuiver waard. Als ik individueel taken moet uitvoeren op een computer, kun je me dat beter vanaf een uur of vier ’s middags laten doen. Dan gaat het als een trein. ’s Ochtends heb ik vrij veel dubbele espresso’s nodig voor hetzelfde resultaat. Het moge duidelijk zijn dat ik over het geheel genomen dus teveel koffie drink.

Kantoortijden
Maargoed, ik heb me aan te passen. Enerzijds aan de kinderen, waarvan er één in elk geval wèl een ochtendmens is. Anderzijds aan mijn werk. In Nederland hebben we afgesproken dat er gemiddeld genomen tussen negen en vijf wordt gewerkt. Dat is handig om met zijn allen tegelijk te doen, want dan kun je elkaar bellen enzo. Niet zo relaxed dus, als je over het geheel genomen tien keer productiever bent buiten deze tijden. Niet zo relaxed voor jezelf, maar ook niet voor je baas.

Daarom – en nog honderd andere redenen – is er tegenwoordig Het Nieuwe Werken (met hoofdletters ja, want je mag het officieel afkorten naar HNW). Op eigen tijden, op flexibele plaatsen je werk uitvoeren. Echt iets voor een nachtvlinder als ikzelf. Ware het niet dat ik ’s ochtends toch al word gewekt door een knorrige baby. Dan kan ik me maar net zo goed naar kantoor slepen.

Nieuw, nieuw…
Het Nieuwe Werken is natuurlijk niet meer zo nieuw. Zo rond 2009 begon de term zich in ons arbeidslandschap te vestigen, destijds met name aangejaagd door technologische ontwikkelingen. Het werd steeds beter mogelijk voor werknemers om buiten kantoor beschikking te hebben tot dezelfde systemen als binnen het kantoor. Thuiswerken was een logisch gevolg, waarop Het Nieuwe Werken is geïntroduceerd.

En zoals met alles wat nieuw is, waren er nog wat kinderziektes. Er moesten ineens thuiswerkplekken komen, kantoorpanden liepen fluctuerend leeg, werknemers hadden stress over de verwaterende scheiding tussen werk en privé en werkgevers vonden het maar lastig dat ze geen idee hadden wat hun mensen thuis allemaal uitspookten. Na een tijdje leek de veelbelovende trend alweer uit te sterven.

Resultaten
Wat bleek nou? Er werd nog veel te veel gedacht in uren in plaats van resultaten. ‘Hoe weet ik nu of mijn medewerker wel acht uur heeft gewerkt vandaag?’ Tsja, dat weet je niet. Misschien heeft hij tussendoor wel de afwas staan doen. De enige vraag die telt is echter: ‘is zijn werk af?’ Als die vraag met een volmondig ‘ja’ beantwoord kan worden, doet de tijd die hij erin gestopt heeft er al een stuk minder toe. Hij blij, baas blij, bedrijf blij. Tegenwoordig lijkt dit meer een trend te worden: resultaatgericht aansturen, in plaats van productiegericht. Iets wat Het (niet meer zo) Nieuwe Werken alleen maar ten goede komt.

Ik las een artikel waarin een aantal grote Amerikaanse organisaties dweepten met hun ‘flexibility’ en ‘scheduling benefits’. Waar het op neer kwam werd goed samengevat door een dame van een advocatenkantoor: “We find employees are most productive when their schedule works for them, rather than being confined to adult study hall.” Zo lang mensen op tijd komen voor vergaderingen en afspraken, wordt er over een uurtje hier of daar niet moeilijk gedaan. “I’ve found that if my employees aren’t stressing out about little things like being five minutes late, than they are more relaxed and therefore more creative in general.”

Individu
Zoals met alles in de samenleving gaat ook het werken zich dus meer en meer aanpassen aan de wensen van het individu. Ik ben geen ochtendmens, dus ik begin pas om elf uur met werken. Of, ik heb jonge kinderen die ik toch naar school moet brengen, dus ik ben er om kwart voor negen. En dan heb je nog de categorie, die ik van mijn levensdagen niet zal begrijpen, die het leuk vindt om ’s ochtends om zeven uur al te beginnen, want dan heb je nog zo lekker veel aan je dag.

Dus zelfs als het de grens tussen werk en privé vervaagt, één van de veelgenoemde nadelen van HNW, gebeurt dit alleen maar omdat wij er zelf om vragen. Een mooie ontwikkeling, waar nog heel veel winst en wijsheid te behalen is. Uiteindelijk gaat het er immers om een geslaagde synergie te bereiken met elkaar, gebaseerd op de persoonlijke behoeften van ieder mens. Daar worden niet alleen de mensen vrolijker en bevlogen van, maar ook een organisatie gaat daar een stuk efficiënter van lopen. Zolang het goed uitgevoerd wordt natuurlijk.

Maar eerlijk is eerlijk, vooralsnog heeft mijn individu misschien wel iets te wensen, ik heb me iedere ochtend gewoonweg over te geven aan de meest genadeloze baas die ik ooit in mijn leven zal kennen. Hij heeft geluk dat hij zo’n schattig voorkomen en innemende glimlach heeft. Je zou er bijna met plezier een ochtendmens van worden.

Het niet zo Nieuwe Werken voor niet zo ochtendmensen

De functie van de functie

Name-Tag_Job-Title‘En wat doe jij voor werk?’ Ik zit op een feestje van een collega van mijn man. Om mij heen zitten mensen die ik nog nooit eerder heb ontmoet. Een hoogzwangere vrouw, een jonge moeder en een man die bij één van de twee eerder genoemden hoort. Ik zit mijn zoontje een fles te geven. ‘Sorry? Had je het tegen mij?’ Drie paar ogen zijn in mijn richting gedraaid. Het antwoord op mijn vraag is duidelijk ‘ja’. ‘Ik doe iets met sales en software’, antwoord ik ontwijkend. Ik verzit een beetje en probeer me te concentreren op het drinken van mijn zoon.

Radio reclames
‘Oh, waar dan’, vraagt de man van één van de vrouwen na een bedriegende stilte. Ik antwoord: ‘Visma’. De uitdrukking op de gezichten van mijn aanhoorders blijft blanco. ‘Van de radio reclames’, roept één van de dames plots verrukt uit. Ze heeft gelijk. Ik werk bij Visma van de radio reclames.

‘Maar wat doe je dan precies? Wat is je functie?’ Deze mensen zitten duidelijk om een praatje verlegen. Ik wil met tegenzin mijn mond opendoen om ‘Presales consultant’ te zeggen, als ik luid wordt onderbroken door een boer van zoonlief. Het gesprek neemt per direct een wending naar het acceptabele doch asociale gedrag van baby’s. Saved by the burp.

Wàt?
Want leg het maar eens uit: ‘Presales consultant’. Ik heb menigeen in de glazige blik gestaard, terwijl ik mijn functie probeerde uit te leggen. Vaak ben ik ze al kwijt bij de term demo. Als het je ding niet is, dan weet je er ook echt niks van. Ondertussen word ik omgeven door mensen met overzichtelijke functietitels: journalist, magazijnbeheerder, helpdeskmedewerker, monteur, gastouder, uitgever en noem ze maar op. Geen hogere wiskunde. Je weet ongeveer wat deze mensen doen.

Eerlijk is eerlijk; er zijn ook genoeg mensen in mijn omgeving waarvan je al gauw geen flauw idee hebt wat hun werk inhoudt. Wat doet bijvoorbeeld een Lean Manager? En hoe vult de Product Owner haar dag? Ik scroll door mijn lijstje met LinkedIn contacten. Ik zie een Interaction Designer, Senior Consultant, Senior Strategic Client Partner, Proces Manager en een SEO Specialist. En dat is slechts een selectie. Geeft niks hoor, als jij het bent die deze titel draagt. Vergeet niet dat dit is geschreven door een Presales consultant. Ik bedoel maar.

Engels
Misschien komt het door al dat pretentieuze Engels in functietitels. Dan lijkt het misschien heel wat, maar ondertussen betekent het helemaal niks. Wat nou als ik gewoon een Voorverkoop adviseur was geweest? Was het dan logischer geweest? Mwah, hè?

Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten hoe ik mijn werk in één of twee woorden zou moeten omschrijven. In het Nederlands ziet het er eigenlijk ook nogal truttig uit. Dan maar gewoon flitsend Engels. ‘Hi, Kim Stokkers, Presales consultant’. Ja dat bekt toch lekkerder. Is trouwens ook heel erg mondiaalproof enzo. Voor het geval ik mijn functietitel wereldwijd van de daken wil schreeuwen. Je weet maar nooit.

Interessant
Zouden we er met zijn allen bewust voor kiezen om bepaalde functietitels maar een beetje vaag te houden? Gewoon zodat we het niets hoeven uit te leggen. Heb je ook nog kans dat mensen het bij voorbaat al heel erg interessant vinden klinken. ‘Wow, Director, dat klinkt vet. Dan zal je wel heel erg belangrijk zijn.’ Een beetje imponeren, zonder dat je er echt iets voor hoeft te doen.

Zo vind ik bijvoorbeeld dat de term consultant al heel snel de bijsmaak heeft dat je echt enorm veel weet. Waarom zouden mensen je anders consulteren? Nou is het ook wel zo dat een consultant vaak behoorlijk op de hoogte is van zijn of haar vakgebied, maar ik denk ook dat de term soms wat te losjes wordt gebruikt. Alsof iedereen zich maar te pas en te onpas consultant mag noemen. Om maar even in de babysfeer te blijven: tijdens mij borstvoedingsperiode heb ik advies gekregen van een lactatie consultant. En inderdaad, zij voorzag mij van nuttige tips en adviezen, maar consultant… ik vond het ver gaan.

Manager
Ik vond een mooi artikel over de waarde die men hecht aan de eigen functietitel. In dat artikel werd gesteld dat mensen in hightech bedrijven worden gepaaid met een tot in het belachelijke doorgedreven holle functietitel, zodat de directie onder loonsverhogingen uit kan komen. Dit heeft als direct gevolg dat de titel manager bijvoorbeeld enorm is gedevalueerd.

Toen ik nog als journalist werkte – lekker overzichtelijke titel – lachten we op de redactie altijd om iedereen met de titel manager. We noemden onszelf toetsenbordmanager en managden wat af op de toetsjes. Ook denk ik terug aan The Office, waar dat ene irritante personage Assistant ­to the Manager werd gemaakt, in plaats van Assistant Manager. Geniaal.

Het idee
Om het beter te begrijpen moeten we misschien nadenken over het idee van de functietitel. Waarom hebben we die titel nodig? Gewoon zodat mensen weten wat we doen? Dat lijkt niet helemaal te werken, want ik sta het – als ik niet uitkijk – alsnog uit te leggen op feestjes.

Het doel van de functietitel is inderdaad, zoals eerder gesteld, imponeren. Iemand koopt blijkbaar toch liever iets van een senior accountmanager dan van een verkoopassistent. Hoe pretentieuzer de titel, hoe geloofwaardiger de persoon overkomt. Hoewel daar bij verkopers misschien nog over te twisten is.

Al met al houden we elkaar dus lekker voor het lapje. En het lijkt nog te werken ook. Ik ben benieuwd wanneer ik de eerste huisarts tegenkom die zichzelf Health Care and Primary Psychological Consultant noemt. Of een glazenwasser die zichzelf voorstelt als Window Cleaning Officer. Het eind is nog lang niet zoek. Ik zal in het vervolg mijn functie maar met meer trots dragen. Wat kan het schelen dat niemand weet wat het betekent? Dan begin ik toch gewoon over baby’s?

De functie van de functie

Ambitie is voor watjes

paleontoloog‘Wat wil jij later worden?’ Die vraag hebben we als kind allemaal gekregen. Het ene kind antwoordt daar conventioneel op: juf, politieman, moeder. Dat soort dingen. Het andere kind is iets uitbundiger in zijn of haar keuze. Zo antwoordde ik na het zien van Jurassic Park steevast ‘paleontoloog’ op deze vraag. Laten we zeggen dat die droom niet helemaal van de grond is gekomen. Maar toekomstdromen zijn zelden realistisch als je klein bent.

Goed in talen
Al vanaf het moment dat je op de middelbare school voor de keuze wordt gesteld of je iets met natuurkunde, economie, taal of kunstzinnigheid wilt doen, begint zich een voorzichtig beeld van de toekomst te vormen. Je bent goed in talen, dus kun je daar je pijlen maar het beste op richten. Dat lijkt realistisch, maar is dat het ook? Wat kun je nu eigenlijk ‘worden’ met een stevige basis in de letteren? Docent, vertaler, journalist dat soort dingen. Is dat een realistisch doel? Waarschijnlijk wel. Je gaat ervoor.

Maar dan ga je studeren, taal en cultuur studies. Ja, dat klinkt heel logisch. Je komt de collegezaal binnen, waar heel veel mensen zitten die vinden dat ze wel goed zijn in iets met talen. Anders zaten ze er niet. Je knikt vriendelijk. Dat zijn een hoop concurrenten voor die docentenfunctie. En als vertaler of journalist aan de bak komen is nog ingewikkelder. Je volgt de colleges, haalt aardige resultaten, gaat met plezier naar je bijbaan, hebt het gezellig op zaterdagnacht en haalt na een jaar of vijf – studievertraging hoort erbij – je diploma. Je bent gespecialiseerd in literatuurwetenschap. Master of Arts mag je jezelf noemen. Gaaf. Je ouders zijn trots.

Andere mogelijkheden
Je werkt een tijdje als journalist, waar je wordt uitgebuit tegen minimumloon. Dus je solliciteert verder. Goede mensen zijn schaars en toch kom je niet aan de bak. Iets met ervaring, sorry hoor. Afwijzing na afwijzing belandt op je deurmat. Je wordt moedeloos en onderzoekt andere mogelijkheden. Traineeships, het leger, eigenlijk alles waar je maar voor betaald wordt. Je komt terecht bij een detacheringsbureau voor jonge professionals. Je voelt jezelf nog niet echt een professional, maar dat schijnt hiervoor ook niet noodzakelijk te zijn. Je stuurt ze een mailtje. Een dag later krijg je al bericht dat je deze week een IQ test mag komen maken. Wow, geen afwijzing. Je trekt je beste outfit aan – zie ik er zo uit als een professional? – en stapt in de trein naar de grote stad waar dit bureau zich bevindt.

Met vlag en wimpel slaag je voor de (tweede… ahum…) test. Je bent slim genoeg; wel lekker die bevestiging. Er volgt een gesprek en nog een gesprek. Het klikt wel met deze mensen. Vinden zij ook, dus je mag er komen werken. Ze detacheren IT-professionals. Je gaat iets met software doen. Je krijgt wat basistrainingen in iets met programmeren en dan kun je er wel tegen. Prima, denk jij, het betaalt en dit zijn gezellige mensen.

Muteren
En zo beland je met je Master of Arts bij een softwarebedrijf. Je leert vanalles over SQL, databases, koppelingen, weboplossingen en implementeren. Je hoort dat het invoeren van een wijziging in een software systeem ‘muteren’ heet. Wat een rare naam. Je denkt aan de Turtles. Je gaat erin mee. Je bent slim genoeg, dus je hebt het snel in de vingers. Voor je het weet implementeer je de ene klant na de andere, met je achtergrond in literatuurwetenschap. To be or not to be, denk je, terwijl je weer een vinkje omzet in de applicatie.

Je wisselt van baan. Ander softwarebedrijf, soortgelijke functie. Je bent weer lekker bezig en dan is er ineens een mogelijkheid op sales. Heb je zin om bij ons te komen werken, vraagt de baas van sales. Waarom niet, denk je. Je stapt over. Er is veel te leren. Presenteren was nooit je hobby, maar ach, wie niet waagt niet wint. Je wordt er beter in. Je leert hoe een goede demonstratie werkt en wat het verkoopvak inhoudt. Zo stap je vanuit je oude comfortzone in een nieuwe comfortzone. Weer wat geleerd.

Ambitie
En nu? Nu niks. Er wordt nog steeds wel eens gevraagd wat je later wilt worden. Je hebt geen idee. Ooit had je een soort van plan, paleontoloog, maar dat is toch niet gelukt. En het lijkt erop dat het vanzelf wel op zijn pootjes terecht komt als je je er niet te druk over maakt. Ambitie is voor watjes, roep je dan maar op die vraag. Zolang je niet hoeft te veranderen is het heerlijk aanmodderen. En als de verandering zich aandient, steek je je hand wel op. Dat lijkt misschien doelloos, maar daar kun jij je niet druk over maken. De toekomst komt vanzelf en jij bent allang blij dat je er deel van mag uitmaken. Trouwens, aspirant paleontologen zijn sowieso niet zo op de toekomst gericht.

Ambitie is voor watjes

Even mijn ‘activity tracken’

ballonnen-aan-de-trapIk heb zojuist mijn kerstpakket(je) ontvangen. Dat is toch ieder jaar weer zo’n vol-verwachting-klopt-ons-hart-momentje. Het is maar een klein doosje, dus mijn angsten voor ingeblikt fruit en oneindig houdbare ragout verdwijnen al gauw. Een kerstkaart en een driehoekig doosje komen uit de verpakking tevoorschijn. Op de kaart staat iets over inzet en een aantal dankbetuigingen van een CEO die ik persoonlijk nog nooit de hand heb geschud. Het doosje laat nog wat te raden over. Er staat ‘Loop’ op.

Al gauw deins ik terug. De subtitel ’24 hour activity tracker’ schrikt me af. Activity tracker? Even googlen. Oh, het is een soort stappenteller. Nou ja, als ik dan toch aan het googlen ben, wat kost dat ding eigenlijk? Zo… dat is niet niks. Jammer dat ik hem nooit zelf uit zijn verpakking ga halen. Op zich houd ik namelijk wel van dure gadgets…

Ik ben onderdeel van een probleem zie ik later echter. Voor dit blogje ben ik even op zoek gegaan naar wat controverse rondom beweging op het werk. En wat blijkt, ik voldoe niet aan de norm. Er is namelijk een norm. Een norm met zijn eigen afkorting zelfs: NNGB (Nederlandse Norm Gezond Bewegen). De inhoud van die norm had ik al wel eens eerder gehoord: vijf dagen per week 30 minuten enigszins inspannend bewegen.

Ik houd niet zo van sporten. Daarnaast heb ik zittend werk. Ik heb wel twee kinderen, dat zorgt wel voor enige (onbewuste) activiteit en wandelingen achter een kinderwagen. Maar echt inspannend (lees: rennen, flink fietsen of iets met een bal of balletje), nee. Ik vind het niet leuk. Maar nu blijkt dat ik daarmee mezelf langzaam vermoord. Ik lees: “Als de gezondheid en fitheid van werknemers niet verbetert, dan liggen namelijk gezondheidsrisico’s op de loer: slechte conditie, stress, RSI, chronische aandoeningen en toenemend ziekteverzuim.” (bron) Ik voel me niet gestresst, mijn polsen werken nog prima en ik ben bijna nooit echt ziek. Moet ik me toch zorgen maken?

Los van of ik in beven zou moeten uitbarsten, zijn deskundigen ervan overtuigd dat we mensen in de benen moeten krijgen, want anders… Zo worden er allerhande handige tips voor werkgevers gegeven om het personeel te stimuleren iets meer te doen dan computeren. In de categorie open deur: laat je mensen traplopen en voorkom liftgebruik. Er staat niet bij hoe overigens. De trap versieren met ballonnen en de lift ‘vergeten’ schoon te maken? Andere opties zijn bijvoorbeeld parkeerplekken verderop, fietsplannen en interne mail ontmoedigen zodat mensen elkaar moeten opzoeken. Er is allemaal iets voor te zeggen. Ik vraag me af of het voor mij zou werken. Als ik mijn collega’s niet mag mailen, dan bel ik ze wel…

Sommige adviezen gaan verder. Werkgevers worden aangestuurd een diëtiste langs te laten komen waaraan werknemers voedingsadviezen kunnen vragen, werkplekken moeten worden ingericht met omhoog-omlaag tafels zodat je afwisselend kunt zitten en staan, er moeten pingpongtafels worden aangeschaft en natuurlijk zijn er nog de gratis zwem- en fietsabonnementen. De resultaten zijn er natuurlijk dan ook wel naar, als ik de experts mag geloven. “Nederland kan op jaarbasis een bedrag van €240 – 380 miljoen besparen op verzuimkosten. Vooral het stimuleren van intensief bewegen blijkt winstgevend. Naast minder arbeidsverzuim zijn er voor een bedrijf nog tal van andere positieve effecten: duurzame inzetbaarheid, verhogen productiviteit, sociale cohesie en een aantrekkelijker imago.” (bron) Dat is ongetwijfeld waar en ik durf het eigenlijk niet tegen te spreken.

Nu mensen zoals mijzelf nog aansporen om de luiheid los te laten. Een hele uitdaging. Mijn werkgever heeft het in elk geval geprobeerd. En dat vind ik bewonderingswaardig. Voor mij is er echter wel iets meer nodig dan een stappenteller met (dit lees je goed) ‘inactivity alert’. Wat precies, dat weet ik zelf ook niet. Die met ballonnen versierde trap lijkt me eigenlijk wel wat.

Even mijn ‘activity tracken’

Woman only

woman onlyGisteren heb ik mezelf getrakteerd op een Woman only parkeerplaats. Of nou ja, ik kreeg de gelegenheid en heb er gretig gebruik van gemaakt. De Woman Only parkeerplaats lag lekker dicht bij de ingang van het gebouw waar ik naar binnen wilde gaan. Mijn collega’s (allebei niet categorie ‘woman only’) moesten iets verder lopen voor dezelfde ingang. Ik moest er eigenlijk wel een beetje om gniffelen.

Ik had ze eerlijk gezegd nog nooit eerder gezien. Een soort invalideplek voor de vrouw. Hoe meer je over zoiets nadenkt, hoe sneller er een negatieve bijsmaak ontstaat. Helemaal niet nodig, want de plekken waren bijvoorbeeld niet discriminerend breed opgezet – om maar een typisch vrouwenvooroordeel aan te halen.

Ook op de werkvloer is het verschil tussen mannen en vrouwen nog lang niet verdwenen. Er zijn typische mannenbedrijven en typische vrouwenbedrijven. Bij zorginstellingen waar ik met enige regelmaat over de vloer kom, voert de vrouwenstem de van nature hogere boventoon. Een industrieel bedrijf wordt toch met name met de lage bas van een mannenstem gevuld. Zo was ik onlangs bij een organisatie waar ze op driehonderd medewerkers maar één vrouwentoilet hadden; en zelfs die werd amper gebruikt. Lekker schoon wc-tje dus; wel jammer dat ik er drie trappen voor op moest.

Dan zijn er ook nog eens typische mannenbanen en typische vrouwenbanen. Boekhouder? Tachtig procent van de boekhouders die ik tegenkom is (soort van) breed gebouwd in de schouders en moet zich met regelmaat scheren. Echter, in verzorgende functies tref je vrijwel uitsluitend dames aan. Daar is niemand van onder de indruk. Een vrouwelijke bouwvakker of een mannelijke kraamverzorgende trekken wel bekijks. Zo ‘hoort’ het eigenlijk niet… Zo zijn we niet geprogrammeerd.

Salarissen schijnen ook nog altijd uit de pas te lopen. Het is onderzocht, dus dan zal het wel zo zijn. Zouden mannen dan meer krijgen dan ze verdienen of vrouwen meer verdienen dan ze krijgen? Het zal wel iets met de grootste mond – iets wat voor mannen nu eenmaal van nature iets minder gevoelig ligt – te maken hebben en niet zozeer met wat je gegund is. Tenminste, dat hoop ik dan maar.

De vraag is eigenlijk, hoe erg vinden we dat verschil tussen mannen er vrouwen nu eigenlijk? We kunnen mopperen over mannen aan de top, salarisverschillen of rolbevestigende functies, maar ondertussen krijgen vrouwen wel een woman only parkeerplek. Dat vinden we stiekem ook wel lekker… Mijn niet-woman collega’s houden ook de deur voor mij open, dragen mijn zware laptop in benarde situaties en laten mij voorgaan bij de lunch. Echte gentlemen dus. Daar kan een lady alleen maar van genieten, zeg ik zo.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat vrouwen niet geschikt zijn voor topsalarissen, hoge functies of echt technisch werk; natuurlijk niet! Iedereen die potentie heeft om iets te bereiken, moet hier zeker gebruik van maken. Ongeacht of dit nu een man of een vrouw is. Gelukkig zijn kansen in de moderne tijd voor beide geslachten aanzienlijk verbeterd. Vrouwen krijgen meer mogelijkheden dan ooit. Ons moederbedrijf, gevestigd in Noorwegen, heeft een bijna woman only managementlaag. In Nederland hebben we hierin nog een slag te maken. Gelukkig hebben we tot die tijd in elk geval onze eigen parkeerplek.

Woman only