Deze week was ik op een kantoor waar de medewerkers voor een verwenmomentje langs de inpandige koffiebar konden lopen. Gratis koffieautomaten waren er ook, maar deze (betaalde) koffiebar wasemde ontspanning en genot, ingelijst met grote, gezellige mokken en lawaaiige koffiemachines.
Zoals het hoort.
De notenmuffins, brownies en allerhande koffiebroodjes en –koekjes lagen de watertandende kantoorzielen verleidelijk aan te staren. In mijn herinnering waren er van die grote krijtborden, waarop krullend handgeschreven de specialiteiten en prijzen werden vermeld. Als ik mijn ogen sluit zie ik grote glazen potten met koffiebonen uit alle windstreken en ruik ik de zoete geur van verse appeltaart. Het kan zijn dat ik het enigszins romantiseer.
Milkshake
Ik mocht een drankje uit de koffiebar kiezen. Ik koos koffie. Ik houd niet van toestand in mijn drankjes. Koffie hoort zwart; zonder karamel shotjes, slagroom, cacao, suiker of zoetjes en liters melk, maar mét cafeïne. Iedere andere soort koffie is geen koffie, maar een milkshake. En als je liever thee drinkt, dan ben je een meisje.
Ja, toch?
Kokhalzen
Dat koffie een díng is voor de werkende mens is verder geen geheim. Er wordt ook altijd geklaagd over de koffie op kantoor. Ik heb collega’s die voordat ze op het werk aankomen nog snel een bakkie halen bij het benzinestation op de route. Ik heb collega’s die zo verknocht zijn aan hun eigen ‘bonenmachine’ dat ze kokhalzend naar mijn bekertje kijken als ik de kamer kom inlopen. Ik had collega’s met een eigen Senseo. Alsof dat zo’n feest is. Die waren waarschijnlijk gewoon te lui om naar de automaat te lopen.
Wantrouwen
Het is ook bij uitstek een onderwerp waar je eigenlijk met iedere willekeurige collega lekker over kan ouwehoeren. Dat het eigenlijk niet ‘te zuipen’ is, tenzij driedubbel sterk met extra melk en min twee suiker. Dan is het wel aardig. Dat de thee uit het apparaat eigenlijk naar koffie smaakt – een goede bijkomstigheid zou ik zeggen – en dat je die chocomel maar beter kunt laten voor wat het is. Automaten waar ook soep uit komt, moet je wantrouwen. Daar is eigenlijk iedereen het over eens.
Democratisch
Dat het zwarte goud wordt ingezet als motivator is dus niet zo vreemd. Mijn man heeft wel eens weken achtereen allerlei verschillende koffies uitgeprobeerd op zijn werk. De verhalen hierover waren dan ook groots als hij ’s avonds thuiskwam. Het palet aan smaken werd met mij, maar met name natuurlijk met collega’s, uitvoerig doorgenomen. Middels democratische stemming is uiteindelijk de juiste koffie voor het gehele kantoor gekozen.
Verbonden
Zo’n koffiebar werkt dus waarschijnlijk wel, om werknemers aan je te binden. Of ze in elk geval de illusie te geven dat ze nooit meer weg kunnen. Met hun verslaving voor altijd verbonden aan jouw bedrijf. ‘Oh, dus je wilt weg? En hebben ze bij je nieuwe werkgever ook een barista? Nee zeker? Oei… ga je dan weer koffie uit een automaat drinken? Sterkte…’
Koffieproeven
Ik zou er nog een stapje verder in gaan. Topwerknemers belonen met bonnen voor gratis koffie uit de koffiebar. Vergaderingen houden in de koffiebar. Op iedere etage een aparte koffiebar inrichten. Alle koffieautomaten defect verklaren. Een middagje koffieproeven als teambuildingsacviteit; wekelijks.
Wakker
Dan gaan ze echt nooit meer bij je weg. Ze kunnen niet. Ze willen niet. Ze durven niet. Een angstcultuur omgeven door koffiegeur. Met als bijkomend voordeel: iedereen is continu lekker wakker en alert.
Dus… Effe bakkie doen, jongens?
Die auto’s staan er nu al twee dagen. Met een rood kaartje erop. Stout. Foei. Niet doen. Ze doen het toch. Het zijn Duitsers. Op vakantie in een Nederlands vakantiepark. En het kan ze niks schelen. Dat er regels zijn enzo. Die auto’s laten ze lekker staan. Hoeven ze niet zo ver te lopen als ze even met hun dikke bolide ergens bradwurst en sauerkraut willen gaan kopen.
We gaan ons huis verraden – uh, ik bedoel verkopen. De afgelopen weken stonden in het teken van hypotheekadvies, makelaarsbezoeken, stylingshulp en uiteindelijk een multifunctionele fotograaf met meetapparaatje. Van al deze mensen vond ik de styliste het pijnlijkst. ‘Dit mag hier niet, dat moet weg, dit moet je repareren, er staan teveel spullen op je kasten.’ Met pen en papier hobbelde ik achter haar aan en schreef blaadje na blaadje vol. Na al het advies wonen we in een soort ziekenhuis met Tiffanylampen. Daar durfde ze denk ik niets over te zeggen.
Mijn dochter is ruim drieënhalf en was nog bijzonder content met het dragen van een luier. Ook voor een smerige pamper trok zij haar neus niet op. Sterker nog, ze bleef er lekker in lopen. Aangezien ze de basisschoolleeftijd nadert, was er noodzaak hier eens wat aan te doen. ‘Na de Kerstmis doen we de luier uit, ok? Grote meisjes hebben geen luier meer.’ Ze stemde in, maar wist niet goed waarmee. Of ze wilde het niet weten.
Ik was het overzicht kwijt. Er kwamen links en rechts mailtjes aan. Over dingen waar ik al iets mee kon, dingen waar ik iets mee had moeten doen en dingen die pas later aan de beurt konden komen. Allerlei verschillende onderwerpen, allerlei verschillende mensen. De muziek van mijn mailbox was een kakafonie van vragen, opdrachten en uitzoekklusjes. En diegene die het hardst kon zingen kreeg voorrang.
De afgelopen weken uit mijn leven bestaan uit nogal veel ‘nee’ om mij heen. En dan niet gewoon ‘nee’, maar nee met vechtlust. Een nee om verdedigd te worden. Als moeder van twee kinderen in de leeftijden twee en drie ben ik redelijk gewend aan ‘nee’. Eigenlijk maakt de vraag niet uit; het antwoord is nee. Echter, als volwassenen zich gaan gedragen als mijn kinderen, ben ik toch van mijn stuk gebracht. Die kan ik natuurlijk niet naar hun kamer sturen of belonen met chocolade als ze wél doen wat ik wil.
