Angstcultuur met koffiegeur

a73_latte1Deze week was ik op een kantoor waar de medewerkers voor een verwenmomentje langs de inpandige koffiebar konden lopen. Gratis koffieautomaten waren er ook, maar deze (betaalde) koffiebar wasemde ontspanning en genot, ingelijst met grote, gezellige mokken en lawaaiige koffiemachines.

Zoals het hoort.

De notenmuffins, brownies en allerhande koffiebroodjes en –koekjes lagen de watertandende kantoorzielen verleidelijk aan te staren. In mijn herinnering waren er van die grote krijtborden, waarop krullend handgeschreven de specialiteiten en prijzen werden vermeld. Als ik mijn ogen sluit zie ik grote glazen potten met koffiebonen uit alle windstreken en ruik ik de zoete geur van verse appeltaart. Het kan zijn dat ik het enigszins romantiseer.

Milkshake
Ik mocht een drankje uit de koffiebar kiezen. Ik koos koffie. Ik houd niet van toestand in mijn drankjes. Koffie hoort zwart; zonder karamel shotjes, slagroom, cacao, suiker of zoetjes en liters melk, maar mét cafeïne. Iedere andere soort koffie is geen koffie, maar een milkshake. En als je liever thee drinkt, dan ben je een meisje.

Ja, toch?

Kokhalzen
Dat koffie een díng is voor de werkende mens is verder geen geheim. Er wordt ook altijd geklaagd over de koffie op kantoor. Ik heb collega’s die voordat ze op het werk aankomen nog snel een bakkie halen bij het benzinestation op de route. Ik heb collega’s die zo verknocht zijn aan hun eigen ‘bonenmachine’ dat ze kokhalzend naar mijn bekertje kijken als ik de kamer kom inlopen. Ik had collega’s met een eigen Senseo. Alsof dat zo’n feest is. Die waren waarschijnlijk gewoon te lui om naar de automaat te lopen.

Wantrouwen
Het is ook bij uitstek een onderwerp waar je eigenlijk met iedere willekeurige collega lekker over kan ouwehoeren. Dat het eigenlijk niet ‘te zuipen’ is, tenzij driedubbel sterk met extra melk en min twee suiker. Dan is het wel aardig. Dat de thee uit het apparaat eigenlijk naar koffie smaakt – een goede bijkomstigheid zou ik zeggen – en dat je die chocomel maar beter kunt laten voor wat het is. Automaten waar ook soep uit komt, moet je wantrouwen. Daar is eigenlijk iedereen het over eens.

Democratisch
Dat het zwarte goud wordt ingezet als motivator is dus niet zo vreemd. Mijn man heeft wel eens weken achtereen allerlei verschillende koffies uitgeprobeerd op zijn werk. De verhalen hierover waren dan ook groots als hij ’s avonds thuiskwam. Het palet aan smaken werd met mij, maar met name natuurlijk met collega’s, uitvoerig doorgenomen. Middels democratische stemming is uiteindelijk de juiste koffie voor het gehele kantoor gekozen.

Verbonden
Zo’n koffiebar werkt dus waarschijnlijk wel, om werknemers aan je te binden. Of ze in elk geval de illusie te geven dat ze nooit meer weg kunnen. Met hun verslaving voor altijd verbonden aan jouw bedrijf. ‘Oh, dus je wilt weg? En hebben ze bij je nieuwe werkgever ook een barista? Nee zeker? Oei… ga je dan weer koffie uit een automaat drinken? Sterkte…’

Koffieproeven
Ik zou er nog een stapje verder in gaan. Topwerknemers belonen met bonnen voor gratis koffie uit de koffiebar. Vergaderingen houden in de koffiebar. Op iedere etage een aparte koffiebar inrichten. Alle koffieautomaten defect verklaren. Een middagje koffieproeven als teambuildingsacviteit; wekelijks.

Wakker
Dan gaan ze echt nooit meer bij je weg. Ze kunnen niet. Ze willen niet. Ze durven niet. Een angstcultuur omgeven door koffiegeur. Met als bijkomend voordeel: iedereen is continu lekker wakker en alert.

Dus… Effe bakkie doen, jongens?

Angstcultuur met koffiegeur

Self centered parcs

imageDie auto’s staan er nu al twee dagen. Met een rood kaartje erop. Stout. Foei. Niet doen. Ze doen het toch. Het zijn Duitsers. Op vakantie in een Nederlands vakantiepark. En het kan ze niks schelen. Dat er regels zijn enzo. Die auto’s laten ze lekker staan. Hoeven ze niet zo ver te lopen als ze even met hun dikke bolide ergens bradwurst en sauerkraut willen gaan kopen.

Asociaal.

Maar dat zie je wel meer op zo’n plek waar we met zijn allen samenkomen. Bijvoorbeeld in het zwembad of de zogeheten ‘jungle dome’. Overspoeld door menselijk gekwetter en gekwaak, zonder omzien naar omstanders. ‘Ik zie dat jij weer aan je kin hebt gezeten?’, hoorde ik net een man geërgerd in het openbaar tegen zijn toch al niet zo aantrekkelijke vrouw zeggen. Ze antwoordde een schuldbewuste ‘ja…’. En ik maar denken: ‘getver, wat zou ze aan haar kin hebben?’

Twee tellen

En wat te denken van het doordouwen en tussendoor wringen. Toegegeven, mijn peuter van twee is niet de snelste, maar je hebt vakantie in hemels naam. Ontspan! Dan ben je verdorie twee tellen later bovenaan dit klimtuig van touw midden in de market dome. Heb je een afspraak daarboven of zo, man van vijfenveertig?

Geholpen

Toen ik dus net een persoonlijkheidstestje zat te maken was ik niet in mijn meest menslievende stand. ‘Sommige mensen kunnen gewoon niet meer geholpen worden’, was één van de stellingen die werd gepresenteerd. Mijn gevoel schreeuwde ‘inderdaad!’, maar mijn hersenen wisten het nog te matigen naar een ‘dat zal toch wel meevallen…?’.

Ikke ikke

Nou ben ik over het geheel een menslievend en optimistisch type. Ik zie graag het beste in mensen en geloof ook dat een glimlach en beleefd gedrag een ieder ten goede komt. Inlevingsvermogen vind ik één van de belangrijkste eigenschappen van de mens. Het verbaast mij vaak dat anderen deze mening echter niet is toegedaan. Dat het ‘ikke ikke gedrag’ dat zich sinds de peuterjaren in de mens manifesteert, niet is geëvolueerd tot een volwassen aangepaste houding gebaseerd op respect.

Darwin-verantwoord

Ja, ik ben natuurlijk ook niet gek. Weet ook wel dat mensen in principe altijd overwegen hoe ze zelf het beste uit een situatie komen. Op mijn werk noemen we dat ‘what’s in it for me’. Dé factor waar je rekening mee moet houden als je iets bij je publiek over de bühne wilt krijgen. Is natuurlijk ook heel Darwin-verantwoord enzo. Maar ik vind het gewoon zo smerig om het in de praktijk toegepast te zien. Vunzig bijna, hoe mensen alleen maar met zichzelf bezig zijn. Of met de kin van hun partner dan.

Sprintje

Zo’n vakantiepark is dan weer een keiharde reality check. Dat anderen net even iets eerder bij de supermarkt kassa willen – moeten? – zijn en een sprintje trekken of zich strategisch links opstellen in plaats van rechts. Dat er honderd stoeltjes in het zwembad bezet zijn met handdoeken, maar geen lijfelijke aanwezigheid vertonen. Dat de serveerster van het restaurant in discussie moet met een echtpaar dat met zijn tweeën een tafel voor acht mensen in beslag neemt. ‘Maar waar moeten wij dan zitten? Bij vreemden aan tafel?!’

Aparte bestemming

Dat er dit soort onaangepaste rakkers rondlopen, voegt ook eigenlijk geen jota toe. De wereld wordt er alles behalve beter van. Dus what’s in it for me? Geen klap. Wat mij betreft mag iedereen die zich niet normaal gedraagt vanaf nu niet meer op vakantie in een normaal vakantiepark. Laten we daar een aparte bestemming voor verzinnen. ‘Self centered parcs’ of iets dergelijks. Een plek waar je gewoon lekker van alles een wedstrijd kunt maken, overal maling aan kunt hebben en je de auto in je bungalow kunt parkeren als je daar zin in hebt.

Gat in de markt. Ik ga nú die Duitsers vast tippen.

 

 

Self centered parcs

Ziekenhuis met Tiffanylampen

iStock_000005125394MediumWe gaan ons huis verraden – uh, ik bedoel verkopen. De afgelopen weken stonden in het teken van hypotheekadvies, makelaarsbezoeken, stylingshulp en uiteindelijk een multifunctionele fotograaf met meetapparaatje. Van al deze mensen vond ik de styliste het pijnlijkst. ‘Dit mag hier niet, dat moet weg, dit moet je repareren, er staan teveel spullen op je kasten.’ Met pen en papier hobbelde ik achter haar aan en schreef blaadje na blaadje vol. Na al het advies wonen we in een soort ziekenhuis met Tiffanylampen. Daar durfde ze denk ik niets over te zeggen.

Kruimeldief
Wel mooi was het duidelijke verschil tussen mannen en vrouwen nadat de styliste de deur uit was. Manlief merkte vrijwel direct op: ‘wat fijn om te horen dat iedereen ons huis zo mooi vindt, hè?’ Ik had alleen maar de negatieve dingen gehoord – over teveel spullen en het feit dat je blijkbaar geen kruimeldief mag hebben – en helemaal gemist dat ze het een mooi huis vond. Achteraf gezien had ze daar inderdaad wel iets over gezegd. Denk ik. Iets over veel licht. ‘Kunnen die gordijnen niet verder open?’

Kanten gordijntjes
En nu zijn er dus foto’s gemaakt en komen we met ons hebben en houden op het web. Dan kunnen alle buren ongegeneerd bij ons binnen kijken, zoals wij dat ook doen als zij hun huis op Funda zetten. Dan ziet iedereen dat onze zoon van Thomas de trein houdt en dat onze dochter een jongensachtig dekbed heeft, maar wél kanten gordijntjes. Nu maar hopen dat de styliste gelijk had. Dat lege bovenkanten van kasten en een kaal aanrechtblad kijkers (of liever nog: kopers) naar ons huis lokken.

Appeltaart
Mensen zijn echt vreemd. Kunnen zichzelf niet in een huis zien wonen als er teveel persoonlijke spullen van de huidige bewoner te zien zijn. Zoals iemand laatst zei: ‘het is echt de trend nu, die lege huizen. Vroeger hoefde het alleen maar een beetje naar appeltaart te ruiken.’ Helaas merk ik ook aan mezelf dat de geur van gebak niet genoeg is. Een huis moet er inderdaad een beetje opgeruimd uitzien als ik de foto’s zit door te bladeren. Als overal rotzooi ligt dan vind ik het laks, lui en ongeïnteresseerd van de verkoper. Dan twijfel ik ook direct aan de verdere staat van het huis. Alsof de balken van het plafond op instorten staan, omdat deze mensen niet goed zijn met spullen in een kast smijten.

Doosje
Het circus moet nog losbarsten, maar ik vind het vreemd en spannend tegelijk. Ik zal het huis wel missen. Ons eerste echte huis. Alsof je een doosje met herinneringen weggeeft aan een ander. En hoopt dat ze er geen nieuwe vloer in leggen (doodzonde).

Bad
Maar we gaan op naar beter. We moeten het nog vinden, maar dát is het plan. Dan nemen we afscheid van dat leuke bad waar je met zijn vieren in kan en het uitzicht vanuit de woonkamer en dan gaan we iets nieuws opbouwen. Heel ergens anders.

Waar ik wel weer gewoon een kruimeldief mag neerzetten.

 

 

Ziekenhuis met Tiffanylampen

Juan

Portretten 016

Mijn ouders hebben een hond. Of, nou ja hond. Hij is net één turf hoog denk ik, maar valt niettemin onder de diersoort ‘hond’. Hij heet Juan. En hoewel zijn formaat misschien anders doet vermoeden, is Juan een stoere gast. Hij is mysterieus zwart als de nacht, staat uiterst breed op zijn pootjes en laat zich niet piepelen. Juan is een baas. En ik denk dat er veel mensen zijn die iets kunnen leren van Juan.

Harde wereld
Zo heeft hij in zijn leven al heel wat meegemaakt. Toen Juan nog maar een pup was – nog kleiner dan één turf hoog dus – liep hij vrolijk huppelend langs de grasstrook voor het huis van mijn ouders. Netjes aangelijnd. Als uit het niets merkte hij een collega-hond op van ongeveer twintig turven hoog. Juan was een puppy en dacht: ‘vet gezellig; wij gaan spelen!’. Hij stapte op de hond af en werd begroet met een hap uit zijn gezicht. Een van zijn ogen raakte zo beschadigd dat hij aan één kant blind was geworden, met een hoop infecties op de koop toe.

Jarenlang werd er gedruppeld en gedaan, maar het werd onhoudbaar. Het oog werd verwijderd. Juan zeurde niet over zijn looks en had geen behoefte aan een ooglapje of prothese. Juan was opgelucht dat hij van de druppels af was.

Don
Toen Juan een jaar of drie was kreeg hij een maatje: Don. Een speelse jonge pup waar hij lief en leed mee deelde. Ze speelden, dolden en knuffelden en waren onafscheidelijk. Toen Don een jaar of vier was, ging het ineens niet zo goed met hem. Hij had rare bulten en knobbels. De dierenarts had zijn diagnose snel gesteld: leukemie, niks meer aan te doen. Don kreeg een spuitje. En Juan bleef alleen achter.

Juan miste zijn maatje, maar bleef vrolijk als hij even naar buiten kon of een lekkere snack kreeg. Hij krabbelde er bovenop.

Geaaid
Ondertussen hadden zijn baasjes een kleinkind gekregen. Dit kleinkind vond Juan helemaal te gek. Hij was niet bij haar weg te slaan als ze kwam spelen of logeren. Gelukkig was deze liefde wederzijds. Dit had wel tot gevolg dat hij soms hardhandig geaaid, geduwd of gemept werd. Maar daar deed Juan niet moeilijk over. Want Juan hield van dit kind. En als hij even rust wilde, dan ging hij gewoon ergens anders liggen.

Nu er ook een tweede kleinkind bij is – van het mannelijke geslacht – is het duwen, trekken en slaan niet minder geworden. Sterker nog, deze knaap weet van wanten. Maar Juan ondergaat het. Hij accepteert het. Is nooit gemeen en bijt niet van zich af. ‘Er zit geen kwaad in’, zeggen de mensen dan. Hij heeft geen idee wat kwaad is. Wat een lieve kinderen zijn dit toch, denkt hij.

Mopperen
Soms mopper ik wel eens. Omdat het leven anders gaat dan gepland, of omdat het regent bijvoorbeeld. En dan denk ik af en toe aan Juan. De eenogige beste-vriend-weduwnaar die op regelmatige basis in elkaar wordt geslagen door een stelletje onbehouwen peuters. Dat relativeert, zeg maar.

Ik weet ook wel dat Juan geen plannen heeft en er voor hem dus ook niks in de soep kan lopen, maar aan zijn houding kan iedereen een voorbeeld nemen. En dan ziet hij er ook nog retestoer uit met zijn twintig centimeter. Ik moet zijn menselijke tegenhanger nog tegenkomen.

Denk je dus soms: bah, alles zit tegen. Denk dan aan Juan. Ik weet zeker dat hij dat helemaal geen probleem vindt. Zo is hij nu eenmaal.

Juan

Stickers plakken

55609959Mijn dochter is ruim drieënhalf en was nog bijzonder content met het dragen van een luier. Ook voor een smerige pamper trok zij haar neus niet op. Sterker nog, ze bleef er lekker in lopen. Aangezien ze de basisschoolleeftijd nadert, was er noodzaak hier eens wat aan te doen. ‘Na de Kerstmis doen we de luier uit, ok? Grote meisjes hebben geen luier meer.’ Ze stemde in, maar wist niet goed waarmee. Of ze wilde het niet weten.

Dweilen
De Kerstmis trok aan ons voorbij en op de derde kerstdag ging de luier uit. Het was dweilen met de kraan open. ‘Oeps, alweer vergeten te plassen, mama.’ Net toen ik met de handen in het haar de zoveelste natte broek rechtstreeks de wasmachine in mikte, kwam er verbetering. Ondersteund door een stickertjessysteem en kleine cadeautjes als beloning, leek een glansrijke schoolcarrière ineens toch tot de mogelijkheden te behoren.

Glimmen
De stickertjes waren een wonderlijk middel. Springend en juichend werd met de grootste precisie een glimmend dieren- of cijferstickertje gekozen en geplakt, waarna telkens weer werd uitgeteld hoeveel stickers er nog nodig waren voor het volgende kleine cadeautje.

Stickers zijn top.

Badges
Vandaag was ik bij een collega software leverancier die zich specialiseert in het automatiseren van leren en digitale leeromgevingen. Er werd een inkijkje in de software gegeven en op een zeker moment passeerden wij het station ‘badges’. Een heel nieuwe trend die de wereld gaat veroveren, aldus de presentator. Harvard ondersteunt het al.

Rugzakje
Wat het is? Nou ja een soort stempel voor de dingen die je geleerd hebt. Het is een initiatief van Mozilla (van Firefox, weet u wel). Als mens kun je bij Mozilla een rugzakje (ja, zo heet het echt) aanmaken en daar kunnen organisaties en scholen dan badges in stoppen. Scholen en organisaties moeten zich dan aansluiten bij dit badgessysteem, wat overigens open en voor iedereen beschikbaar is, en dan mag je lekker gaan uitdelen. ‘Hup, jij hebt mijn college bijgewoond; kijk eens, mooie zilveren badge voor jou.’

Wenkbrauw
Al jouw mooie glimmende stickertjes kun je dan bijvoorbeeld op je LinkedIn profiel laten zien. Mijn cynische zelf is niet meer te houden en ik trek al tijdens de presentatie voorzichtig een wenkbrauw op. Ze willen weer aandacht hoor, de mensen. ‘Joehoe, kijk mij eens met al mijn badges! Veel heb ik, hè?’

Dan de hamvraag: na hoeveel badges krijg je eigenlijk een klein cadeautje?

Arrogant
Zelf was hij ook sceptisch, zegt hij, maar het is echt succesvol. De mensen vinden het leuk. Dat geloof ik dan weer direct. Als ik op mijn 32e nog legitiem een stickerkaart mag volplakken, ben ik daar eigenlijk ook niet op tegen. En eerlijk is eerlijk, wie is er nou niet zo arrogant dat hij zijn volle stickerkaart niet onder iedereens neus wil wrijven.

Flippo’s
Het is wel gevaarlijk natuurlijk. Vroeger had ik een vriendinnetje dat altijd alle Flippo’s al had, voordat ik nog maar op de helft was met sparen. Zelfs die hele, hele zeldzame had ze dan. Zoiets is niet goed voor de vriendschap. Zeker niet, omdat zij blijkbaar veel meer chips mocht eten dan ik. Scheeflopende badges binnen de collegiale sfeer zijn misschien wel net zo gevaarlijk. Al die openlijke aanprijzerij kent dan toch ook een keerzijde. Voordat je het weet krijg je de bijnaam ‘studiebol’ of ‘nerd’. En dan mag je ineens niet meer mee lunchen. Maar stiekem is iedereen jaloers.

Stickerkaart
Ach ja, we zullen zien hoe het loopt. Voorlopig is de kaart van mijn dochter nog niet vol, dus heb ik nog andere stickertjes te plakken. Misschien dat ik daarna aan mijn eigen stickerkaart begin. Ik hoop wel dat er ook glimmende dieren- en cijferbadges zijn.

 

Stickers plakken

De innerlijke kerstboom

IMG_6624Ik was het overzicht kwijt. Er kwamen links en rechts mailtjes aan. Over dingen waar ik al iets mee kon, dingen waar ik iets mee had moeten doen en dingen die pas later aan de beurt konden komen. Allerlei verschillende onderwerpen, allerlei verschillende mensen. De muziek van mijn mailbox was een kakafonie van vragen, opdrachten en uitzoekklusjes. En diegene die het hardst kon zingen kreeg voorrang.

Prettiest inbox
Niks voor mij. Een collega zei onlangs nog in een Engelstalige vergadering dat ik ‘the prettiest inbox I have ever seen’ had – hetgeen op een bulderend gelach van een Ierse collega kon rekenen (‘dirty mind is a joy forever, sorry…’). Maar de prijzende collega had wel een punt hoor. Ik ben nogal opruimerig wat mail betreft namelijk. Afhandelen, archiveren, klaar.

Dat mijn inbox zo vol stroomde voelde dus behoorlijk belagend. Ik was de controle kwijt. En hoewel ik van nature een groot aanhanger ben van de kreten ‘komt wel goed, joh’ en ‘accepteren, loslaten’, blijkt dat ook in mij een control freak huist. Maar een heel kleintje hoor.

Gezellig
Mijn ‘flexplek’ op het werk is bijvoorbeeld één grote janboel van papieren, draden, doosjes  en boeken. Een verzameling van alle creatieve geesten die er af en toe plaats nemen. Dat vind ik dan wel weer gezellig en het stoort me totaal niet.

Kerstboom
Mijn kerstboom is ook alles behalve gestructureerd. Gekleurde lampjes, een samenstelling van ballen uit verschillende dozen, snoepgoed en één slinger. Zie ik kerstbomen van andere mensen, dan denk ik ‘wow, dat ziet er echt heel georganiseerd, chique en over nagedacht uit’. Maar goed, van de mijne word ik oprecht vrolijk.

Innerlijk ben ik eigenlijk zoals mijn kerstboom. Om een beetje te kunnen functioneren op het werk, de kinderen op te kunnen voeden en enigszins een fatsoenlijk huishouden erop na te houden, is controle mijn enige instrument. Vandaar dus ook die pretty inbox.

Worstelen
Nou is controle op het moment een hot issue om mij heen. Zo zie ik hoe steeds groter wordende bedrijven worstelen met het vrijlaten van werknemers (bijvoorbeeld in zelfsturende teams, op social media of met ‘het nieuwe werken’), zonder de controle te willen verliezen.

Valt ook niet mee. Je zult als organisatie maar duizenden mensen in jouw naam aan het werk hebben die allemaal op eigen houtje beslissingen nemen en met elkaar – of erger nog – de buitenwereld communiceren. Dat moet een keer misgaan.

Eén slinger
Zou kunnen. Als mensen van binnen én van buiten zouden zijn zoals mijn kerstboom, dan is het risico aanzienlijk. In de praktijk is echter bijna niemand van buiten zoals mijn kerstboom. Van buiten weten we heus wel dat je eigenlijk niet in honderd verschillende kleuren, omgeven door snoepgoed en met maar één slinger voor de dag kunt komen. We weten heus wel dat er een gestyled voorkomen en aangepast gedrag van ons wordt verwacht. Zeker op de werkvloer.

En de mensen die dat niet weten – of willen weten – krijg je toch met geen mogelijkheid onder controle. Die staan volledig overtuigd uitgedost in alle kleuren van de regenboog in het leven. Daar kun je eigenlijk alleen maar bewondering voor hebben.

Creatieve chaos
Als de innerlijke gekleurde kerstboom er af en toe dan dus toch tussendoor piept, houdt dat het waarschijnlijk zelfs interessant en vernieuwend. Aan een klein beetje creatieve chaos is nog nooit iemand doodgegaan.

Zolang het zich maar niet in mijn mailbox afspeelt.

De innerlijke kerstboom

Loonsverhoging in je schoen

Lieve werknemer,

Jij bent meestal keurig op tijd
Je doet hard je best en werkt met veel vlijt
Je bent tot redelijk wat klusjes bereid
Verlaagt je nimmer tot roddels en nijd

Je baas wil vast nooit meer zonder jou
Tenzij hij je ruilt voor een mooie vrouw
Maar ja, zo’n vrouw, waar vind je die nou?
De meesten zijn trouwens toch al getrouwd.

Oke, misschien een klein beetje flauw
Je baas is trouwens misschien zelf wel een vrouw
Maargoed, hij of zij houdt echt van jou
Want jouw inzet is toch simpelweg ‘wow’?

Als je geluk hebt, word je werknemer van het jaar
Wees eerlijk rakker, daar staat je petje wel naar
Je bent toch geweldig, is het niet waar?
Ronduit de beste, misschien zelfs onmisbaar!

Aan mij, Sinterklaas, vroeg je dus loonsverhoging
En als je het niet krijgt, is het je reinste verloochening
Jij verdient immers de hoogste beloning
Met jouw meer dan super fantastische vertoning.

Weet je, ik begrijp je en heb het erkend
Jij bent gewoon dat topwijf of die beste vent
De wereld is aan jouw licht nog amper gewend
Maar door mij worden jouw ambities gekend

Helaas kan ik helemaal niks voor je doen
Ik geef wel cadeautjes, maar meestal geen poen
Je zet iedere avond dus tevergeefs je schoen
Wat dacht je te vinden? Chocomunten of een miljoen?

Dus mocht je toch naar die verhoging kunnen fluiten
Laat het dan niet bij tranen met tuiten
Maar treed met je grootsheid nog verder naar buiten
Zodat je volgend jaar kunt rekenen op duiten

En anders zoek je gewoon een andere baas
Eentje vrijgevig als ik,

Sinterklaas.

Loonsverhoging in je schoen

Klanten in de nee-fase

tantrumDe afgelopen weken uit mijn leven bestaan uit nogal veel ‘nee’ om mij heen. En dan niet gewoon ‘nee’, maar nee met vechtlust. Een nee om verdedigd te worden. Als moeder van twee kinderen in de leeftijden twee en drie ben ik redelijk gewend aan ‘nee’. Eigenlijk maakt de vraag niet uit; het antwoord is nee. Echter, als volwassenen zich gaan gedragen als mijn kinderen, ben ik toch van mijn stuk gebracht. Die kan ik natuurlijk niet naar hun kamer sturen of belonen met chocolade als ze wél doen wat ik wil.

Sport
Voorbeeldje doen? Leuk toch? Stel je voor, je staat je product te presenteren aan een groep mensen van een vrij grote organisatie. De meeste mensen hebben wel zin in je presentatie of houden zich op de vlakte, maar twee mensen zijn vastberaden ieder minpuntje van je product boven water te halen. Als een soort van sport, waarbij met voorbedachten rade steken onder water worden gegeven.

Spierballen
Dat alles om hun enorme gevoel van ‘nee’ te etaleren. Nee, nee, nee, ik wil het niet. Ik wil jouw product niet. Ik wil het eigenlijk niet eens proberen leuk te vinden. Ik wil alleen maar benadrukken wat ik er stom aan vind. Redelijk vergelijkbaar met mijn dochter als ze iets, wat er in haar ogen apart uitziet (lees: anders dan ze gewend is), niet wil eten. En het dus ook niet wil proberen. Ook niet als ik zeg dat het echt lekker, gezond, goed voor haar spierballen en dat soort dingen is.

Opgetrokken wenkbrauwen
Dit was dus niet de enige presentatie waar ik op nogal wat (on)gezonde weerstand stuitte. Een ander geval speelde zich af in een setting waarbij een aantal mensen het liefst met ‘nee’ op het voorhoofd getatoeëerd in de zaal hadden willen plaatsnemen. Zonder te glimlachen, een hand te schudden of ook maar enige aandacht aan mijn collega en mij te schenken namen ze plaats. Armen over elkaar, uitgestreken blik, opgetrokken wenkbrauwen naar het projectorscherm. Ze hadden er zin in, zeg maar.

Gewend
Ik begin te vertellen. Ik ben twee zinnen in mijn verhaal. ‘Mag ik iets vragen’, zegt een dame; de enige dame, op mij na. Natuurlijk mag dat, antwoord ik. Een relaas van deze strekking maar in andere woorden verlaat haar lippen: ‘ja, dit gaat bij ons dus helemaal niet werken. Wij zijn echt heel anders dan andere organisaties. Wij doen het nu zus en zo en dat gaat heel goed en als we het op jouw manier gaan doen dan gaat dat niet meer goed. En dan moet ik misschien wel twee systemen tegelijk open hebben. Ja, nee, meestal niet, maar soms wel en dat wil ik gewoon niet. Ik moet nu dan wel dingen twee keer invoeren. Dat vind ik eigenlijk heel stom, maar toch wil ik jouw verhaal eigenlijk niet aanhoren. Want ik ben het gewoon zo gewend als het nu is.’

Verkopen
Een echte vraag kon ik uit het verhaal niet opmaken. Ik heb uit alle macht geprobeerd uit te leggen dat het met mijn oplossing echt beter zou worden en bovendien makkelijker en sneller. Ik ben maar niet over haar spierballen begonnen… De opmerking waar ik op mocht rekenen? ‘Ja, ik begrijp dat jij dat zegt, want jij wilt dat product natuurlijk verkopen.’ Zucht, dan niet. Ga naar je kamer. Oh nee, wacht.

Ogen dicht
Zo had ik er nog twee of drie. Mensen die een kwartier over de nadelen van het declareren van overuren mopperen om vervolgens te constateren dat ze die eigenlijk nooit declareren. Of mensen die de hele presentatie ingaan met een gevoel van nee, omdat ze vooraf verkeerde informatie hebben ingewonnen. Om nog maar te zwijgen over mensen die eigenlijk liever op vakantie, naar bed, in bad of weet ik veel willen. Die letterlijk met hun ogen dicht mijn presentatie bijwonen.

‘Nee!’
Al met al een wat negatieve bedoening. Zeker als je je bedenkt dat mijn dag begint met:

– ‘Hallo lieverd, ben je wakker?’
– ‘Nee!’.
– ‘Uhm, oke, heb je lekker geslapen?’
– ‘Nee!’
– ‘Ga je mee uit bed?’
– ‘Nee!’
– ‘Zullen we even aankleden?’
– ‘Nee!’
– ‘Eet je je broodje even op?’
– ‘Nee!’
– ‘Nou, werk je even mee? Mama moet zo werken.’
– ‘Nee!’

Nou ja. Dat kunnen die klanten ook niet weten natuurlijk.

Klanten in de nee-fase

Getrouwd met mijn werk

bride-on-computerDaar lig ik dan. In de bruidssuite van een luxe hotel in Limburg. Alleen. In een kingsize bed, met uitzicht op een bubbelbad en een grote glazen douchecabine. Er glimmen gedimde lampen in mijn ooghoeken, want de zon is al uren onder. Twee gigantische spiegels decoreren het geheel op stijlvolle doch ondeugende wijze.

Ik vraag me af welke schouwspelen zich hier voltrokken. In dat bad, dit bed, die douchecabine. Al die huwelijksnachten die hier minuut na minuut de geschiedenis in gleden. Weerkaatst in die spiegels en live afgespeeld voor de ogen van de pasgetrouwden. Iedere aanraking, iedere glimlach en elke slok champagne in drievoud uitgesponnen en daarmee gegraveerd in het geheugen. De kracht van herhaling.

Ik hoor het geritsel van bruidsjurken die knoopje voor knoopje van de bruid zijn gepulkt en uitgehangen aan het haakje dat zo handig hoog op de muur zit. Ik zie een stropdas over de loveseat gedrapeerd. Ik ruik de zoete geur van aardbeien die klaarstonden op dat antieke tafeltje naast het bad, gemengd met een zweem van zweet, aangekoekte haarlak en knoflookmayonaise.

Ik denk aan de uitgeputte bruidsparen die bij aanblik van het bed alleen nog konden denken aan de aanstaande nachtrust. De kleding in razend tempo opgelucht afgepeld, twee minuten gedoucht en hup, onder de wol. Dat bad komt morgen wel.

Een nacht. Zo vluchtig dat je er nooit uit kunt halen wat je dacht dat erin zat. De illusie die sterft zonder dat je het erg vindt. Dat wat je eruit kon halen was ook wonderschoon. Wat het ook was. De kamer is slechts omlijsting.

En hier zit ik nu. Met mijn zakelijke overnachting in een veel te dure kamer – gewoon, omdat hij over was, cadeautje – te wachten op een schim van het verleden. Maar ook dat is een illusie. Er is hier vanavond geen huwelijksnacht gepland. Ik ben hier alleen. Met mijn laptop, mijn verbeelding en mijn melancholy blues. Om alles uit deze nacht te halen wat er in zit: slaap. Het ware luxegoed.

“So come and get me. Let me. Get in that sinking feeling that says my heart is on an all time low – I am causing a mild sensation with this new occupation. I am permanently glued to this extraordinary mood. So now move over and let me take over with my melancholy blues.”

Getrouwd met mijn werk

Overpeinzingen van een koekenbakker

20151018_213649

Ik sta in de keuken wat te heupwiegen en zacht maar vals te zingen. Pinda’s, pure chocolade, bloem, pindakaas en heel veel suiker om mij heen. Begeleid door foute muziek waar je van gaat dansen en zingen en bijgestaan door een glas rode wijn. Morgen ben ik jarig. Vandaag maak ik koekjes.

Ritueel
Ik houd niet zo van verjaren. In elk geval niet van de toestand eromheen. Ik vind het ieder jaar wel leuk dat ik het toch maar weer heb gehaald. Gezien mijn minder dan gemiddelde motoriek en soms ondoordacht gehaast handelen, ligt een ongeval eigenlijk permanent op de loer. Maar toch, tweeëndertig jaar alweer! Valt niet tegen.

Vergis je niet, ik houd wel van een feestje. En ook wel van een feestje om het leven te vieren. Maar daar heb ik doorgaans geen kringgesprek met koffie en slagroomgebak bij in gedachten. Aangezien mijn huidige gezinssituatie – en die van veel van mijn vrienden en familieleden – een dergelijke koffiemiddag ter ere van een verjaardag bijna als vanzelfsprekend voorschrijft, zie ik er liever van af. Het leven vier ik dan wel op andere manieren.

Kinderverjaardag
Vandaag was ik overigens te gast op een kinderfeestje. De jarige werd twee en gaf ongeveer net zoveel om haar verjaardag als ik om de mijne. Zoals het hoort als je twee wordt. ‘Oh leuk, lcadeautje. Mag ik nu weer gewoon op de iPad?’ (maar dan met minder woorden).

Vanaf je derde levensjaar worden verjaardagen ineens wél belangrijk. Je verheugt je op cadeautjes, taart, kaarsjes uitblazen en lang zal ze leven. Alle opa’s en oma’s komen en jij mag zeggen wat de pot ’s avonds schaft. Zo’n verjaardag is echt zo gek nog niet in je jeugd. Ieder jaar wordt de spanning groter, want ieder jaar heb je meer ideeën over cadeaus en wat er rond zes uur geserveerd moet worden. Bovendien is het ook nog eens zo dat je met ieder verworven jaar een kwartier langer mag opblijven. Score!

Waarde
Na je achttiende verjaardag begint het begrip verjaardag langzaam op waarde in te boeten. Daar moeten we niet te moeilijk over doen, denk ik. Het moment dat mensen hun leeftijd gaan verzwijgen in sociale situaties, vind ik sowieso een goed moment om überhaupt te stoppen met die hele gebaktoestand en het feliciteren. ‘Wow, jij wordt echt oud. Gefeliciteerd zeg en nog vele jaren, hè? Hopelijk…’

Ik verzwijg mijn leeftijd nog niet, maar als ik zou zeggen dat ik sta te juichen om tweeëndertig te worden, zou ik mezelf het komende jaar niet recht aan durven kijken. Dat hele gedoe met een spiegel vind ik eigenlijk al een tijdje niet zo leuk meer, dankzij de langzaam terrein winnende kraaienpootjes rondom mijn oogleden. Maar dat terzijde.

Kilo
Misschien is mijn persoonlijk oud en nieuw dus een goed moment voor nostalgie en melancholie. Een moment om terug te denken aan de kaarsjes die ik ooit met een twinkeling in mijn ogen en kriebels in mijn buik uitblies. Maar ik ben afgeleid door Jason Derulo die zingt over onzedelijkheden, terwijl ik tot twee keer toe mijn vingers brand aan hete bakplaten.

Ondertussen voedt de geur van koekjes langzaam mijn verlangen op de vooravond van mijn verjaardag. Voorproeven lijkt onvermijdelijk als ik één voor één de warme koekjes op een bord leg om af te koelen. Mijn drieëndertigste levensjaar begin ik vermoedelijk een kilo zwaarder dan ik mijn tweeëndertigste afsloot. Nou ja, hopelijk vult dat extra gewicht die kraaienpootjes een beetje op.

Overpeinzingen van een koekenbakker