Hartje hartje

Als je ergens nieuw bent, spendeer je heel wat tijd aan jezelf voorstellen en kennismaken. Vaak stem je je verhaal een beetje af op de ontvanger. Serieus zakelijk type? Dan beter niet al te diep ingaan op het piano en pilates gedeelte. Is de ander zelf een open boek? Dan kun je gerust je leeftijd, gezinssamenstelling en het nummer van je glazenwasser delen. Is geen probleem.

Vandaag had ik het genoegen om me met één powerpointslide aan een hele groep collega’s te mogen voorstellen. Dat is enorm efficiënt en je kunt er direct lekker veel structuur in kwijt. De opdracht was: maak het persoonlijk. Dus daar heb ik plichtsgetrouw gehoor aan gegeven.

Blauwvinger

En nu weet iedereen die vandaag aanwezig was dat ik stiekem een blauwvinger ben (vonden sommigen echt extreem fijn om te horen), twee katten heb die Oreo en Muffin heten en dat ik graag af en toe een moppie zing. Dat ik daarnaast mijn, overigens van Fred van Leer gestolen, uitspraak ‘hartje hartje’ in de mix heb gegooid, moge duidelijk zijn. Zonder ‘hartje hartje’ ken je mij eigenlijk niet…

Achterstand

Het nadeel is dat vijftig mensen ineens van alles over jou weten, maar jij niets over hen. Dat is wel een soort 1-0 achterstand die gezien de omvang van het gezelschap lastig in te halen is. 

Gedurende de dag vraag ik daarom links en rechts eens uit waar mensen werken, hoe lang ze er al werken en wat het dan toch precies is, datgene wat ze doen. En of ze het leuk hebben natuurlijk; ik verneem dat altijd graag. Als een malle probeerde ik namen, rugnummers en disciplines weg te schrijven in mijn persoonlijke database. Maar als iemand me later aan een tafel vraagt: ken je al deze mensen?… Gut, dan weet ik dat ik net nog met die twee dames heb staan praten in de rij voor het toilet, maar wat deden ze ook alweer?

Nog brutaler was de persoon die tijdens de pub quiz vroeg of ik iedereen ‘hier’ al kende. Ik heb daar met mijn meest strakke gezicht op hoog sarcastische toon ‘ja’ op geantwoord. Dat kon toch op een glimlach rekenen zijnerzijds. Zíjn naam had ik wel onthouden trouwens, want hij was van de organisatie.

Cadeautje

En hoewel koetjes en kalfjes voor mij geen vanzelfsprekend gespreksonderwerp zijn, ben ik de dag ontzettend goed doorgekomen. Juist dankzij mijn slide en ongeacht mijn 1-0 achterstand! Iedereen had er wel iets van onthouden of een aanknopingspuntje mee. Zo dobberde ik moeiteloos van gesprek naar gesprek en heb ik zelf toch ook echt veel collega’s wat beter leren kennen. Voor iemand die graag de verbinding opzoekt om prettig te kunnen werken, is dit een cadeautje. 

Vanaf vandaag verwacht ik dan ook schaamteloos ‘hartje hartje’ te kunnen roepen wanneer het mij goeddunkt. Andere muzikanten weten me ook te vinden. Ik heb trouwens niet echt een glazenwasser, dus kom alsjeblieft niet om een nummer vragen. En als je me vandaag gesproken hebt, maar je ziet jezelf helemaal niet terug in dit verhaal… het is niet persoonlijk; jullie waren met velen. Hartje, hartje.

Hartje hartje

Ballon uit Griekenland

Het waaide echt keihard. Ik liep met een tas vol brood van Bart de bakker richting huis en de wind joeg mijn haren wild rondom mijn wangen. Ik bedacht me dat ik dat eigenlijk heel lekker vond. De wind in mijn haren. De koele lucht langs mijn huid. Even de drukte van de dag eruit blazen.

In het gras naast me danste een half lege, paarse ballon tussen de sprieten. Ik was verbaasd over de kalmte die in het schouwspel zat. Mijn haren waren werkelijk overal, maar deze vederlichte ballon wiegde rustig wat van links naar rechts in de groenstrook. Ik kon iets van een lichte glimlach niet onderdrukken. Hoe belandt zo’n ballon daar eigenlijk?

De tijd dat kinderen massaal een ballon met een kaartje op lieten op het schoolplein – in de hoop dat die van jou het verst van het opstijgpunt nog gevonden zou worden – ligt ver achter ons. Ik had geen enkel moment de aandrang te kijken of het een dergelijke ballon betrof. Met helium gevuld rubber de atmosfeer in laten zweven in grote getallen is echt niet meer 2025.

Confetti

Maar ik moest toch even denken aan die twee of drie keer dat ik dat als kind heb mogen doen. Eén keer omdat mijn basisschool een lustrum vierde. De honderden gekleurde stippen aan de hemel waren als een paraplu van confetti; de bekroning op een feestelijke dag.

Natuurlijk werd mijn ballon niet gevonden. En erg gedetailleerd is mijn herinnering niet van deze gebeurtenis toen ik een jaar of zes was, maar volgens mij is de verst gevonden ballon in België geland.

Absurd gewoon. Dat zo’n ding het zoveel kilometers heeft uitgehouden, gevonden is en dan ook nog door iemand die de moeite heeft genomen even het kaartje met een boodschap terug te sturen. Over de post. Helemaal met een postzegel en alles.

Vroeger was het leven misschien wel simpeler, maar je moest niet al te lui zijn.

Ik was nu al te lui om die ballon van het gras te halen. Laat staan dat ik er een postzegel aan had gespendeerd, omdat hij uit een of ander land kwam waar kinderen nog wel ballonnen mogen oplaten. Plus, het waaide heel hard en het begon zacht te regenen. Funest voor de broodjes in papieren zakjes in mijn netje.

Feestelijk zwerfvuil

En nu zit ik hier te denken aan die ballon. Wat als er nu een kindje in, ik noem maar wat, Griekenland zit te hopen dat iemand haar ballon vindt? En ik heb dat gewoon genegeerd? Die mooie paarse ballon, geland in een Nederlands grasveldje langs een drukke weg. Treurig wiegend in de wind. Wachtend op een opmerkzame wandelaar.

We zijn niet meer ingesteld op dit soort onverwachte gebeurtenissen in het echte leven. Dat er zomaar een paarse ballon in het groen dwarrelt. Ogenschijnlijk zonder herkomst of doel. Ik vraag me af of iemand anders hem zag. En of die wel tijd heeft gehad om hem op te pakken. Om te kijken of er ergens een kindje zit te wachten op antwoord. Of anders gewoon om het zwerfvuil op te ruimen. Feestelijker zwerfvuil is er bijna niet, immers.

De wind blies de drukte uit mijn hoofd en de ballon wurmde zich erin. Dankjewel, kindje in Griekenland. Of misschien ook niet. Ik zal het nooit weten. Maar toch bedankt. Voor mijn herinnering aan die honderd gekleurde stippen aan de hemel. En het feestje in mijn hoofd.

Ballon uit Griekenland

Zwembandjes

Vandaag werd ik negenendertig jaar. Dat is niet heel jong meer. Mensen die ouder zijn, zeggen steevast dat ik nog jong ben. Mensen die jonger zijn, vinden mij al best belegen. Ik weet het niet. Ik hang alvast een beetje rond aan het randje van die mid-life-vijver. Ik heb nog wel zwembandjes om, maar ik kan bijna zwemmen.

Nog net geen veertig. Dat is eigenlijk wat het is. Op nog net geen veertigjarige leeftijd, heb je al heel wat stempels op je strippenkaart, maar er zijn ook nog best wat lege plekken te vullen. Je hebt iets van een carrière, een gezin, zo’n huis waarvan je dacht dat je dat nooit ging kunnen onderhouden – dat klopt ook wel een beetje – en een soort reislust die nooit echt wordt vervuld, behalve op de A1 naar kantoor en op de fiets naar de basisschool.

Gisteravond zette ik de blues aan en schonk ik witte wijn in. Mijn dochter scharrelt door de kamer en noemt het aanzwellende gitaargeluid oneerbiedig een ‘wachtmuziekje’. Altijd die vinger op de zere plek, die kinderen.

Je hebt van die mensen die op een verjaardag of tijdens een jaarwisseling een terugblik doen op het afgelopen jaar. Ik ben niet zo’n mens. Mijn geheugen kan denk ik geen twaalf maanden reproduceren zonder hulp van Google Foto’s. En wat weeg je eraan af? Het leven komt zoals het komt en ik dein er rustig – of enigszins stuurloos soms – op mee. Is dat nonchalant? Is dat weigeren de touwtjes in eigen handen nemen?

Ja, ik denk het wel.

Wel knap van die mensen die zo bezig zijn met hun beste leven te leven dat ze steevast hun geleefde jaren evalueren. Serieuze toewijding aan een diepzinnig en betekenisvol bestaan. Diep respect. Ikzelf ben altijd bang dat ik dan dood ga voordat het echt leuk was. Dus ik heb mij volledig gericht op het zo leuk mogelijk hebben, binnen de mogelijkheden die ik heb. Diepzinnig doe ik wel als ik er nog tijd voor heb. 

En als ik dan tijd over heb en mijn geleefde jaren overdenk, dan kijk ik misschien wel terug op dit moment. Dat ik negenendertig werd. Dat ik met zwembandjes aan, bibberig naar al die vrolijke midlifers zat te kijken op de rand van de vijver en met knikkende knieën mijn tenen in het water stak om te voelen of het al warm genoeg was. Als ik daar dan dobber, in de oceaan van voorbij de veertig, lach ik erom. Dat kleine meisje tussen het riet. Met haar wachtmuziek. 

Onbezorgd en vrij zwemmen in de oceaan is het beste dat je kan overkomen, denk ik. Dan heb je het pas echt leuk. Het is maar goed dat ik al negenendertig ben.


Swimming aids

Today I turned thirty-nine years old. That’s not very young anymore. People who are older invariably say that I am still young. People who are younger think I’m quite mature. I don’t know. I’m already hanging out on the edge of that mid-life pond. I still have swimming aids on, but I can almost swim.

Just under forty. That’s basically what it is. And at just under forty years old, you already have a lot of stamps on your bus ticket, but there are also quite a few empty spaces to fill. You have something of a career, a family, the kind of house you thought you’d never be able to maintain – that’s painfully true to some extent – and a kind of wanderlust that is never really fulfilled, except on the highway to the office and on the bike to primary school.

Last night I turned on the blues and poured me some white wine. My daughter rummages around the room, irreverently calling the swelling guitar sound “hold music.” Always laying that finger on the sore spot, those children.

There are people who look back on the past year, on a birthday or at the turn of the year. I’m not that kind of person. I don’t think my memory can reproduce twelve months without help from Google Photos. And what do you weigh? Life comes as it is and I move along quietly – or somewhat chaotically – at times. Is that too laid back? Is that refusing to taking matters into your own hands?

Yes, I think so.

Pretty clever of those people who are so busy living their best life that they vigorously evaluate their passed years. Serious dedication to a deep and meaningful existence. They have my respect. I myself am always afraid that I will die before it was really fun. So I have fully focused on having as much fun as possible, within the possibilities that I have. I’ll try to be meaningful at some point, if I still have time.

And then if I have time to spare and reflect on my years lived, I might look back at this moment. That I turned thirty-nine. That I sat shivering at the side of the pond, looking at all those merry mid-lifers, while I tipped my toes into the water with trembling knees to feel if it was warm enough already. When I swim in the ocean past forty, I will have a laugh about it. That little girl among the reeds. With her ‘hold music’. 

Swimming in the ocean, careless and free, is the best thing that could happen to you, I guess. That’s where the fun really is. Good thing I have already turned thirty-nine.

Zwembandjes

Paradijsvogels / Big words

Paradijsvogels

Rusteloos zit ik op de bank naar een knipperende cursor te staren, terwijl de poes naast me op de bank haar vacht zit uit te spoelen met haar tong. Ik heb niets te zeggen en zit toch vol met gedachten. Misschien genoeg te zeggen, maar niks van voldoende waarde. Dan kun je beter je mond houden, heb ik altijd geleerd. 

Het treft ook wel, want ik kan niet zo goed tegen praten omdat het moet. Koetjes die kalfjes baren in het open weiland van de ongemakkelijke stilte. Het weer, reclames, het werk, de kinderen. Allemaal dankbare onderwerpen als het echt ergens over gaat. “Door dat rotweer is de hele overkapping van mijn huis gewaaid”. Zinvolle informatie voor mensen die overwegen te overkappen. “Lekker weertje he?”. Zinvol voor precies niemand.

Ja, toegegeven, ik doe het zelf ook hoor. Sta je weer op zo’n onhandig kruispunt van onzekerheid, met iemand waar je eigenlijk niets van weet, een beetje te hannessen met je comfort zone en dan floept het er soms zomaar uit: “veel warmer dan ik dacht dat het zou worden vandaag.” Achteraf verplaats ik me dan vaak direct in die ander, die mij ook haast niet kent, en zijn of haar vermoedelijk complete desinteresse in mijn verwachtingen rondom de temperatuur vandaag, en sla mezelf dan psychologisch hard op mijn achterste. Foei toch.

Ditjes en datjes. Mensen die het beheersen zijn goed op feestjes. En in groepen. Echt van die gangmakers zijn dat. Ze redden zich ook goed in de lift en de wachtkamer. Ditjes en datjes zijn de sleutel tot sociaal succes. Dat is op zich dan wel weer waardevol, maar de verspilling van ditjes en datjes is zo troosteloos om te beluisteren. Zeker van een afstandje. 

Hoe mooi zou het zijn als we goede gesprekken hadden op iedere borrel. En louter waardevolle presentaties op het werk. Niet omdat het moet of hoort, maar omdat het echt wat toevoegt. Omdat het iemand raakt of net iets meer vertelt dan we eigenlijk al wisten. Een wereld zonder koetjes en kalfjes, maar met paradijsvogels en hún kuikens. Dat wordt zingen in plaats van kakelen. 

Mijn cursor knippert nog steeds, maar nu achter deze tekst. Is dit dan zinvol? En wie meet dat dan? Mijn hoofd is ietsje leger, maar de strijd is nog niet gestreden. Misschien laten we soms ook wel gewoon terloops wat woorden lopen om ruimte te maken voor het echte werk. Zolang de kraan blijft stromen, loopt de emmer immers vanzelf een keer over. 

Ach weet je wat, laat maar stromen ook. Wat weet ik er eigenlijk van. Mijn koetjes en kalfjes zijn in elk geval weer even buiten geweest. Paradijsvogels ben je waarschijnlijk zo kwijt.


Big Words

Restlessly, I sit on the couch staring at a blinking cursor, while the cat next to me is vividly rinsing her fur with her tongue. I have nothing to say and yet I am full of thoughts. Enough to say perhaps, but nothing of value. Then you better keep your mouth shut, I’ve always been taught.

It suits me, because I have trouble talking about nothing. Trouble shouting small talk into the open pasture of awkward silence. The weather, commercials, work, kids. All rewarding subjects when it really matters. “Because of that bad weather, my entire roof was blown off my house”. Useful information for people who are considering roofing their house. “Nice weather out there, isn’t it?”. Adds value to exactly nothing and no one.

Yes, I admit I am guilty as well. Standing at the awkward crossroads of uncertainty, with someone you don’t actually know anything about, fiddling with your comfort zone a bit and then sometimes it just pops out: “much warmer than I thought it would be today. ” Often afterwards I immediately put myself in the position of that other person, who also hardly knows me, and his or her presumably complete disinterest in my expectations about the temperature today. I then psychologically hit myself hard on the behind. Bad girl.

Chatting about just this and that. People who master it are good at parties. And in groups. They warm the room up and also manage well in the elevator and the doctors waiting room. ‘This and that’ is the key to social success. That in itself is valuable, but the waste of these ‘this and thats’ is so cumbersome to listen to. Certainly from a distance.

How nice would it be if we had good conversations at every drink. And only valuable presentations at work. Not because it has to or should be done, but because it really adds something. Because it touches someone or tells a little more than we already knew. A world without small talk, but with big words that fill our hearts. Will we then be singing instead of cackling? 

My cursor is still blinking, but now behind this text. Does this add value? And who measures that? My head is a little emptier, but the battle is not done. Maybe sometimes we just casually let some words flow to make room for the real thing. After all, as long as the tap continues to flow, the bucket will automatically run over.

Oh you know what, let it flow. What do I know about it. My small talk has taken the stage a bit and emptied my bucket. Big words don’t fit the screen anyway, I suppose. 

Paradijsvogels / Big words

Madrid

Torens hoger dan mijn verwachtingen
Zie ze statig in de zon verrijzen
Voor de blikken van toeristen
Die hun aanwezigheid bewijzen

De tand des tijds heeft niets gegeten
Het zware vergaan is hier gestold
In de behouden aanblik van het steen
Is de tijd slechts uitgehold

Met amper tijd aan mijn zijde
Beschouw ik de groteskheid van het bestaan
Dat gewoon hier zwelgt en zonder reden
Mijn lichaam dwingt het te ondergaan

Er is niets nodig, alleen dat beeld
Een moment verruild voor eeuwig leven
Er is geen noodzaak voor geduld
Als je oneindigheid is gegeven


Towering over my expectations
They rise brightly in the sun
Where tourists show their patience
And prove their existence is not done

Father time did good in keeping
His children up and awake
While stone walls are safely sleeping
The clock has simply hit a break

With time so fleetingly by my side
I watch their grotesque show and tell
That just dwells and without pride
Takes my body under their spell

I want nothing, just this is all
A moment for eternity to teach
How the longing for patience falls
When there is no end left to reach

Madrid

Sprakeloos / Speachless

Vol overvloed is er geschreven
In zinnen die betogen
De ogen zogen
Woorden bij het leven
Maar worden straf bedrogen

Want geen woord leert spreken
In het gat nabij de wanhoop
Waar je gedachten breken
Is er voor leegte niets te koop

Schelden, verwensen, de haat
Alles daar misstaat
Kent zijn grenzen
Ontkent het verwensen
Ontduikt de mensen
Want niemand weet precies hoe laat
De klok van morgen slaat

Het wachten in dat gat
Luisterend of iemand weet
Iemand spreekt hoe of wat
Je zegt, zodat je het vergeet

Waar je elkaar opraapt
Daar zijn woorden overbodig
Niet nodig
Alleen de zachte wacht
Of je misschien vannacht
Wel slaapt


The words have overflown
In sentences that sing
Our eyes taking it in
Where meanings have just grown
Still, none of it was shown

For no word teaches you speech
In the void close to despair
Where your thoughts are breached
Nothing to be bought but air

To curse, to swear, the hate
It is all out of place
Knows it’s limits
Denies all bits
Of people’s grits
Because no one knows what time
Reality fits the rhyme

Waiting in that gap
Listening to hear who knows
If anyone can grasp
The words that mend the blows

Where you pick the other up
Is where you speak no more
What for?
When in the silent wait
You merely contemplate
If the sleeplessness will stop

Sprakeloos / Speachless

Parkeerplaats

1893_1208066437_500Het komt maar zeer zelden voor dat ik op tijd genoeg ben om een plekje te bemachtigen op de parkeerplaats die direct aan het kantoor grenst. Sinds dit kantoor mijn stam-kantoor is – ik denk nu zo’n maand of zes – is me dat misschien drie keer gelukt. Deze week was het zo’n keer! En dat op een maandag.

Het gevoel van binnen, als je de auto bovendien vooraan op de parkeerplaats kunt indraaien, is bijna niet te omschrijven. Een jubelende kriebel die zich knisperend vanuit de onderbuik naar boven wurmt, langs het hart dat drie maal overslaat, om ten slotte door mijn hersenen cynisch te worden veroordeeld om het kinderlijk enthousiasme over een parkeerplaats. Magisch werkelijk.

Marcheren
Jubelend dus, maar vol van zelfverachting stap ik uit. Omdat ik zo vooraan sta op de parkeerplaats, wordt mijn auto doorlopend gepasseerd door wandelaars die vanaf het station naar ons stam-kantoor komen. Terwijl ik vrij opgewekt – ik zing bijna – mijn tas uit mijn kofferbak hijs, valt mij plots de grijze treurnis van de langslopende meute op. Ik word erdoor geraakt, alsof het iets tastbaars is dat uit de lucht komt vallen. 

Al deze mensen, het zijn er best veel, zijn collega’s van elkaar. Ze lopen namelijk naar hetzelfde stam-kantoor; mijn stam-kantoor. Maar ze zwijgen, gunnen elkaar geen blik waardig en lopen achter, in plaats van naast elkaar. Allemaal op hetzelfde tempo. Marcherend bijna.

Geen ‘lekker weertje’ of ‘druk zeg in de trein’. Geen ‘nog wat leuks gedaan dit weekend?’. Geen ‘heb jij nog interessante afspraken vandaag?’. Niks. Pijnlijke stilte.

Slagersmes
Het stam-kantoor ligt er uiterst sereen bij. De stilte staat haar eigenlijk wel. Het glas weerspiegelt de droefenis en geeft het een ijsblauwe kleur. In het midden staat fier de ingang al te wachten. De mensen verdwijnen erin alsof ze worden ingevoerd. Schuifdeuren open, mens erin, schuifdeuren dicht. Zonder protest, zonder gejubel, zonder een woord.  

Ja, oké, het is dan ook maandag.

Verder ben ik natuurlijk ongewoon monter door mijn parkeerplaats-overwinning. Me dunkt, het contrast is bijna scherper dan een slagersmes. Maar iets in mij breekt af. De glimlach glijdt van mijn lippen en mijn wangen strijken zichzelf glad. Ik voeg me bij. Zonder iets te zeggen. Zonder te knikken. Zonder mezelf. Ik heb dan wel een parkeerplaats vooraan, maar dat maakt mij geen beter mens. 

Gezellig
De volgende dag heb ik minder geluk. In het verleden behaalde resultaten bieden, eigenlijk volkomen naar verwachting, geen garantie voor het heden. Ik draai de auto, om op een naburige parkeerplaats mijn heil te zoeken. 

In mijn ingetogen gang naar kantoor – ik weet nu hoe ik me hoor te gedragen –  hoor ik plots achter mij mijn naam. Ik kijk om. Een collega. ‘Hoi! Ik had je niet gezien!’, beken ik. ‘Geeft niks’, zegt hij, ‘jij komt toch helemaal niet zo vaak naar kantoor?’ Ik zeg dat dat de laatste tijd wel anders is en dat ik tamelijk vaak op het stam-kantoor vertoef tegenwoordig. ‘Gezellig’, zegt hij glimlachend. Ik kijk nog even om naar de parkeerplaats van de dag ervoor. Afgunst maakt plaats voor afkeer.

 ‘Ja, best wel’, zeg ik, terwijl we naast elkaar door de schuifdeur naar binnen lopen. 

 

 

Parkeerplaats

De klacht van de draak

De ondeugd bekruipt hem vlak na het eten. Ogen die veranderen in bliksemschichten, grijnzend van oor tot oor. Zijn hele gezicht twinkelt. Hij wil stoeien. Meppen, verstoppen, wegrennen, keihard giechelen, schoppen. Hij wil me heel erg vastpakken. Met alle liefde in zijn mannenhartje.

dragon-238931_1920

Ik geef toe na de vierde por in mijn zij met een grote teen. Keiharde kieteldood en op de kop boven de bank. Hij komt bijna niet meer bij. Hij wil nog eens. Ik geef toe. Nog eens. En nog eens. En nog eens. En dan wil ik even koffie drinken.

Vuur
Hij begint te stieren. Zijn twinkelende gezicht verandert in spectaculair vuurwerk. Hij is nog niet klaar met me. Of met de dag. Hij schreeuwt enthousiast alle fictieve karakters die hij is en waarmee hij mij, ander fictief karakter, gaat verslaan.

Er ontwaakt een draak in hem en die heeft voorlopig wel genoeg geslapen. Dus als het bedtijd is, verstopt hij zich. Als hij zijn tanden moet poetsen, houdt hij zijn kaken met een enorme glimlach stijf op elkaar. Als hij zijn pyjama aan moet gedraagt hij zich als een slangenmens. Een vrij gespierd slangenmens.

Moe
Als ik hem na de martelgang gesloopt naar boven zeul – hij krijsend en schreeuwend, ik zuchtend en steunend – bereik ik zijn slaapkamer ongeveer drie jaar ouder.

‘Ik ben niet moe. Ik ga niet slapen. Ik ga naar beneden. Ik heb dorst. Ik wil geen boek. Ik moet plassen.’ Alles wordt uit de kast getrokken. Na enkele dreigementen,  beloftes en een zachtaardig gesprek denk ik hem te hebben overtuigd dat slapen de betere optie is.

Heel gewoon
Tot ik, compleet leeggezogen beneden op de bank twee minuten aan de thee zit en klaaglijk over de babyfoon hoor: ‘Mamaaaaa, mijn piemel zit niet goed.’

Daar heeft ie me. Want weet ik veel hoe zo’n ding precies hoort te hangen of liggen? En misschien is het wel echt niet goed dan. Ik sjok naar boven om uitgebreid zijn klacht te bestuderen. ‘Tsja’, zeg ik, ‘mama ziet niks hoor. Ziet er heel gewoon uit.’ Hij wil er een luier omheen en ik geef toe. Ik heb geen kracht meer voor discussie.

Een kwartier later zit ik op de bank te googlen naar ‘zere piemel peuter’. Er is niks eigenaardigs aan naar het schijnt. Ik lees wat onderhoudstips voor het apparaat en geef ze door aan mijn man. ‘Succes, schat.’

Sssst
Als hij ‘s ochtends wakker wordt is zijn slurfje weer in orde. Hij begint in elk geval nergens over. Hij begroet me met hetzelfde twinkelende gezicht als gisteravond, maar de draak ligt nog in bed. We geven elkaar een knuffel. We sluipen weg en laten de draak nog even liggen. Hopelijk slaapt die uit vandaag.

De klacht van de draak

Wedstrijdzwemmen voor beginners

Het draadje van de beamer is te kort, dus op het scherm staat in ongebruikelijk perspectief geprojecteerd: ‘Welkom op de voorlichtingsavond van de zwemschool’. Ouders druppelen binnen en nemen vooral niet plaats op de eerste rij. De tafel met heel veel koffie en thee blijft onaangeroerd staan voorin de zaal. De luxaflex weert het hinderlijk lage zonnetje recht in de ogen van enkele aanwezigen nét niet. Eén moeder heeft haar kind meegenomen naar de voorlichting en kijkt ongemakkelijk om zich heen. Dit is het speelveld.

We zijn met een man of dertig. De heel erg overdreven vrolijke zwemjuf, die ‘eigenlijk meer van de administratie is’ en waarvan alle aanwezigen zich afvragen of dat een zwangerschapsbuikje is, steekt van wal: “zoals jullie weten is Nederland een waterrijk land.” Ik leun wat verder achterover, terwijl ik word overtuigd van het feit dat het zwemdiploma – waarvoor ik ons kind dus al heb ingeschreven, compleet met handtekening onder automatische incasso – echt onmisbaar is.

Die andere standaard
We zijn nog geen tien minuten onderweg en de ik-weet-alles-beter-vader in de zaal wordt geactiveerd door het feit dat de zwemschool de nationale standaard rondom de ABC diploma’s hanteert. De irritante-vragen-vader vraagt zich af hoe de zwemschool tegenover één of andere nieuwe standaard methode staat waarin kinderen alles binnen een jaar halen. Of iets dergelijks. De wijsneus-papa heeft daar waarschijnlijk iets over gelezen in het Parool en weet de klepel niet meer helemaal te hangen.

Wat blijkt nou, de zwemjuffen zijn nog diezelfde dag op bijscholingscursus geweest en weten veel meer dan de irrelevante-vragen-ouder. Ze zetten hem verbaal hardhandig op zijn plek, hetzij enigszins langdradig.

1-0 voor de zwemjuffen.

It’s all fun and games
Het verhaal kabbelt voort naar ‘leerfactoren’ en ‘succesfactoren’ en ‘onderwijsmethodes’. En dat plezier zo ‘hoog in het vaandel staat’ passeert ook een keer of tien de revue. De gemiddelde lestijd voor diploma A is twaalf maanden, wordt dan ineens nonchalant genoemd. De hele zaal begint te schuifelen op zijn of haar stoel. Tot zover het plezier voor de ouders.

Alsof het een feestje is om wekelijks drie kwartier in de ‘horeca-ruimte’ door te brengen gedurende gemiddeld twaalf maanden van je leven (per kind), neemt overenthousiaste zwemjuf aan dat je kind ‘uiteraard doorgaat voor B en daarna C’. Samen nog eens een klein jaar ‘horeca-ruimte’. Vanuit de zaal lachen we massaal beleefd de blije zwemjuf toe, terwijl we denken: ‘wat is er eigenlijk mis met alleen A?’

Pech met Pinksteren
Als het verhaal vervolgens richting ziekmeldingen, inhaallessen en roostering vaart, ontwaakt er ook nog een ik-zit-nogal-op-mijn-centen-vader. ‘Dus als onze lesdag toevallig een feestdag is, dan krijgen we geen inhaalles of geld terug. Wij hebben toevallig de maandag en dan heb je dus altijd pech met Pasen en Pinksteren.’

De zwemjuf begint nu oprecht verdrietig te kijken en zegt dat dit ‘nu inderdaad nog het geval is’. Ze wordt bijgestaan door een zwemjuf achterin de zaal die zegt dat Pasen net voorbij is en als het kind een beetje door zwemt, hij vermoedelijk zijn diploma al heeft voor Pasen 2018.

2-0 voor de zwemjuffen.

Koppie onder
Een mooie score voor de zwemjuffen, vind ik zelf. Maar er is nog iemand die ze in het vaarwater wil zitten. Een moeder schraapt haar keel. ‘Kan ik al ergens zien welke zwemdocent mijn kind krijgt?’. Ik kijk vol ongeloof om. Hoezo? Ken je ze persoonlijk, ofzo? En zo ja, regel dat dat even met die ene die je persoonlijk kent. En zo nee, wat maakt het uit? Ik heb net gehoord dat ze allemaal dezelfde methodes en lesprogramma’s hanteren. Of staat je het hoofd van die ene niet aan ofzo? In gedachten duw ik dram-mama koppie onder in het diepe bad. Ik wil gewoon naar huis. De juffen geven niks prijs. ‘U hoort het op de eerste zwemles. We zijn er nog mee bezig.’

Een verdiende 3-0.

Op naar de horeca-ruimte.

Wedstrijdzwemmen voor beginners

Stroopwafel

 

stroopwafels_2_20160713_154822Ik heb vandaag een oude man in een scootmobiel een stroopwafel gegeven. Hij vroeg om een euro en ik had alleen maar stroopwafels. ‘Had die meneer honger’, vroeg mijn dochter. ‘Ik denk het wel’, antwoord ik als ik terugdenk aan de grijns op zijn gezicht, terwijl hij de stroopwafel in het mandje aan zijn stuur legde.

We lopen door de Bart Smit. We hebben zojuist heel veel geld in haar spaarpot ontdekt en we gaan het lekker uitgeven. We lopen naar het My Little Pony pad. Het enige pad in de winkel dat ertoe doet. Een doos van een meter bij een meter met een groot plastic kasteel erin trekt direct haar aandacht. Er zitten ook twee pony’s bij. Eén ervan heeft ze al.

Ze kent het kasteel van YouTube. ‘Deze mama, deze wil ik. Deze moet ik echt hebben. Eindelijk kan ik hem hebben. Mama, deze, deze, deze.’ Ik aarzel. Hoe krijg ik dit ding lopend mee naar huis? Ik vraag me ook af of ze écht nóg een huis-achtig speelding nodig heeft. Ik onderhandel. ‘Maar schat, die ene pony heb je al. Vind je dat niet jammer?’

Ze stelt voor om haar ‘oude’ versie aan haar broertje te geven. Die hangt ongeïnteresseerd in de kinderwagen voor zich uit te staren. ‘Ik weet niet of hij die wel wil.’

‘Nou dan heb ik er lekker twee. Voor als er vriendinnen komen. Of dan kan ik spelen dat ze tweeling zijn. Of jij kan met mijn oude. Ik wil deze écht, mam!’

Het kasteel is flink afgeprijsd en ze kan het makkelijk betalen van haar spaargeld. Ik probeer haar nog wat andere, kleinere dingen aan te smeren, maar ze is onvermurwbaar. En het is haar eigen geld. ‘Oké dan’, zeg ik en ik pak de doos van de plank. Ze valt bijna flauw van geluk.

We kiezen ook nog iets voor haar broertje uit in de winkel, omdat het anders zo sneu is. Hij wil alles hebben en niks tegelijk. We kiezen een auto die we van de televisie kennen.

Tijdens het afrekenen stuitert mijn dochter om de kinderwagen heen. ‘Moet ik het voor je inpakken’, vraagt de aardige winkelmevrouw. Mijn dochter weigert. ‘Ik weet toch al wat het is?’

Ze past net met de grote doos samen in het onderste zitje van de kinderwagen. Het is een koddig gezicht. Ze kwekt en ze kwaakt en ze vraagt of we al thuis zijn, van onder een hele grote gekleurde kartonnen doos.

‘Hallo. Wilt u vandaag iets doen aan kinderuitbuiting?’

Ik kijk in mijn wagen. Het is denk ik geen persoonlijke vraag. ‘Uh, hoezo’, antwoord ik vertwijfeld. De jongen steekt een relaas af over Terre des Hommes en hun mooie werk over de hele wereld. ‘Want als je niet met kinderen kunt omgaan, moet je er ook bij uit de buurt blijven, vindt u niet’, beëindigt hij zijn relaas.

Het is angstvallig stil onder de gekleurde kartonnen doos. ‘Ja, nee, dat vind ik ook hoor’, zeg ik gauw.

Hij vraagt me om maandelijkse donaties van 7, 9 of 12 euro per maand. Ik leg hem uit dat ik al aan zoveel goede doelen geef en dat ik er liever niet nog één bij wil. Ik voel me er heel ongemakkelijk bij, met mijn letterlijk onder het speelgoed bedolven kinderen recht in zijn vizier. Maar hij zegt het te begrijpen.

Als we weglopen vraagt mijn dochter: ‘wat wilde die meneer van jou hebben?’ Ik leg haar uit dat hij voor arme kindjes op de wereld geld wilde, zodat zij een beter leven krijgen. Ik vertel haar dat zij nu een mooi ponykasteel heeft, maar dat sommige kinderen op de wereld niet eens kunnen eten omdat ze zo weinig geld hebben.

Ze denkt er even over na en zegt dan: ‘maar waarom heb je hém dan geen stroopwafel gegeven?’

Stroopwafel