De ondeugd bekruipt hem vlak na het eten. Ogen die veranderen in bliksemschichten, grijnzend van oor tot oor. Zijn hele gezicht twinkelt. Hij wil stoeien. Meppen, verstoppen, wegrennen, keihard giechelen, schoppen. Hij wil me heel erg vastpakken. Met alle liefde in zijn mannenhartje.

Ik geef toe na de vierde por in mijn zij met een grote teen. Keiharde kieteldood en op de kop boven de bank. Hij komt bijna niet meer bij. Hij wil nog eens. Ik geef toe. Nog eens. En nog eens. En nog eens. En dan wil ik even koffie drinken.
Vuur
Hij begint te stieren. Zijn twinkelende gezicht verandert in spectaculair vuurwerk. Hij is nog niet klaar met me. Of met de dag. Hij schreeuwt enthousiast alle fictieve karakters die hij is en waarmee hij mij, ander fictief karakter, gaat verslaan.
Er ontwaakt een draak in hem en die heeft voorlopig wel genoeg geslapen. Dus als het bedtijd is, verstopt hij zich. Als hij zijn tanden moet poetsen, houdt hij zijn kaken met een enorme glimlach stijf op elkaar. Als hij zijn pyjama aan moet gedraagt hij zich als een slangenmens. Een vrij gespierd slangenmens.
Moe
Als ik hem na de martelgang gesloopt naar boven zeul – hij krijsend en schreeuwend, ik zuchtend en steunend – bereik ik zijn slaapkamer ongeveer drie jaar ouder.
‘Ik ben niet moe. Ik ga niet slapen. Ik ga naar beneden. Ik heb dorst. Ik wil geen boek. Ik moet plassen.’ Alles wordt uit de kast getrokken. Na enkele dreigementen, beloftes en een zachtaardig gesprek denk ik hem te hebben overtuigd dat slapen de betere optie is.
Heel gewoon
Tot ik, compleet leeggezogen beneden op de bank twee minuten aan de thee zit en klaaglijk over de babyfoon hoor: ‘Mamaaaaa, mijn piemel zit niet goed.’
Daar heeft ie me. Want weet ik veel hoe zo’n ding precies hoort te hangen of liggen? En misschien is het wel echt niet goed dan. Ik sjok naar boven om uitgebreid zijn klacht te bestuderen. ‘Tsja’, zeg ik, ‘mama ziet niks hoor. Ziet er heel gewoon uit.’ Hij wil er een luier omheen en ik geef toe. Ik heb geen kracht meer voor discussie.
Een kwartier later zit ik op de bank te googlen naar ‘zere piemel peuter’. Er is niks eigenaardigs aan naar het schijnt. Ik lees wat onderhoudstips voor het apparaat en geef ze door aan mijn man. ‘Succes, schat.’
Sssst
Als hij ‘s ochtends wakker wordt is zijn slurfje weer in orde. Hij begint in elk geval nergens over. Hij begroet me met hetzelfde twinkelende gezicht als gisteravond, maar de draak ligt nog in bed. We geven elkaar een knuffel. We sluipen weg en laten de draak nog even liggen. Hopelijk slaapt die uit vandaag.
Ik heb vandaag een oude man in een scootmobiel een stroopwafel gegeven. Hij vroeg om een euro en ik had alleen maar stroopwafels. ‘Had die meneer honger’, vroeg mijn dochter. ‘Ik denk het wel’, antwoord ik als ik terugdenk aan de grijns op zijn gezicht, terwijl hij de stroopwafel in het mandje aan zijn stuur legde. 

Ik sta in de file. Buiten is het koud, miezerig en er staat vrij veel wind. Ik kruip over de A1 in mijn grijze auto. Eerder deze week reed ik vrolijk 130 op dit stukje snelweg en stond er een prachtige regenboog te schitteren in de weilanden naast mij, terwijl mijn zilveren bolide fonkelde in het zonlicht. Nu is er niks dan kruipende grijze muizen auto’s met klapperende ruitenwissers, in het halfduister.

Ze is zo heerlijk zichzelf. Ze danst als ze dansen wil, vertelt over draken en leeuwen terwijl ze het kringgesprek in één lange gespannen adem stillegt en zegt dingen als: ‘ik hoef geen selfie met jou samen. Ik ben toch mooier dan jij.’ Ze speelt met jongens, want ‘die kunnen wél dingen’. Ze ziet eruit als een elfje met haar frêle bouw en witblonde lokken, maar domineert lieflijk chanterend ieder spel, met haar eisenpakket. Ze is zo honderd procent eigen, dat je bijna zeker weet dat er na jaren van overleven in de samenleving en druk op de ketel misschien wel zestig procent overblijft.