De wekker meldt zich en laat in een flauw schijnsel kwart over vier zien. In de ochtend inderdaad. Mijn ogen protesteren; blijven grotendeels dicht. Ik wiebel langs het bed naar de slaapkamerdeur en gris mijn klaargelegde kleding van het nachtkastje. Gewassen, gepoetst en aangekleed sta ik vijftien minuten later klaar om naar Schiphol te gaan. De KLM vertrekt om zeven uur, mét of zonder mij. Ik kan maar beter zorgen dat ik erbij ben.

Laat
De weg is leeg. Het regent een beetje. Ik luister ballads op de autoradio. Schiphol is toch verder rijden dan ik dacht. Ik zit bijna de hele weg achter een Volkswagen Golf, waarvan ik vermoed dat het politie is, dus houd ik me netjes aan de snelheid. Op dit uur. Ik sms mijn collega. Hij is ook te laat. ‘Nog in slaapstand’, laat hij weten. Vertel mij wat, denk ik hardop.
Vaatdoeken
Het is druk op Schiphol. Wat doen al deze mensen hier? Dit is niet zoals de wereld in slaapstand er hoort uit te zien. Als een droom die hopeloos uit de hand gelopen is. Er rollen trolleys en hutkoffers voorbij. Kinderen op bagagekarretjes hangen als vaatdoeken over de tassen heen. Er wordt opgewekt gekwaakt in drieëntwintig talen. Wij checken moeizaam in en glimlachen ons door de douane heen.
Koffie
Eindelijk, koffie!
Dat denkt iedereen op Schiphol. Rijen dik staat men te smachten naar cafeïne. De Starbucks is de schitterende ster aan de duistere hemel van de vroege ochtend. We zoeken ons heil elders, waar een koffie meer dan vier euro kost. We krijgen er een bonbon bij en laten ons belazeren met niks-spectaculairs-aan-koffie. Maar koffie is koffie. En koffie is goed.
Grijs
Eindelijk, we vliegen. Met vertraging. De gedachte dat ik dus een half uur langer had kunnen slapen, kan ik niet onderdrukken. Het uitzicht is beroerd. Wolken hebben de macht gegrepen en wij kijken naar een witte deken. In Noorwegen miezert het als we landen. Het asfalt van de landingsbaan kleurt bij de hemel. Goed weer om te werken.
Werken
We worden warm ontvangen door onze Noorse collega’s en mogen bureaus stelen van afwezigen. Werken, oh ja, daar kwamen we immers voor. De dag kabbelt voort. Ik schud wat handen, praat wat bij. Ik kom aan stapels mails en openstaande zaken toe. We praten lekker Nederlands tussen de Noren en dat voelt heel grappig.
Reality tv
Tegen half vijf is het wel goed geweest en we zoeken het hotel op. In de avond hebben we een eetafspraak, dus ik hoop nog wat te kunnen bijslapen. Helaas denkt mijn lijf hier anders over. Zo vind ik mezelf uiteindelijk languit op een aangenaam hotelbed vergezeld door slechte reality tv en een videogesprek met mijn kinderen die in bad zitten.
Drankjes
We eten pizza tegen een uur of acht. Het is gezellig. We bestellen nog een drankje. En nog één. En nog één. Pas heel erg aan het eind van de avond zitten we terug in de trein naar het hotel. En daar doen we nog één drankje dan… Midden in de nacht merken we op dat het midden in de nacht is. Morgen hebben we een belangrijke dag. Misschien moesten we maar eens gaan slapen.
Wakker
Uiteindelijk slaap ik gelukkig snel. Maar niet erg lang. Alsof mijn bioritme zich nu al heeft aangepast aan absurd vroege ochtenden. Als ik eenmaal wakker ben, laat de slaap zich niet meer zien. Ik geef me over aan mijn lot en open om half zeven ’s ochtends mijn Facebook app. Daar word ik begroet met een bericht: ‘Hallo Kim, vandaag is het de langste dag!’
Ja.
Ok.
Top.
Nou ja, zeg. Zo word je nooit eens ergens voor uitgenodigd en zo ben je ineens dé vergadertijger van het gebouw. Dit overkwam mij een maand geleden toen ik een nieuwe functie kreeg. Ik hobbel van ‘meeting’ – dan klinkt het extra belangrijk – naar overleg. Echt tijd om te werken houd ik niet over, want de rest van de dag ben ik mails aan het beantwoorden. Ik zie er echt ontzettend druk, druk en nog eens druk uit.
Deze week was ik op een kantoor waar de medewerkers voor een verwenmomentje langs de inpandige koffiebar konden lopen. Gratis koffieautomaten waren er ook, maar deze (betaalde) koffiebar wasemde ontspanning en genot, ingelijst met grote, gezellige mokken en lawaaiige koffiemachines.
Die auto’s staan er nu al twee dagen. Met een rood kaartje erop. Stout. Foei. Niet doen. Ze doen het toch. Het zijn Duitsers. Op vakantie in een Nederlands vakantiepark. En het kan ze niks schelen. Dat er regels zijn enzo. Die auto’s laten ze lekker staan. Hoeven ze niet zo ver te lopen als ze even met hun dikke bolide ergens bradwurst en sauerkraut willen gaan kopen.
We gaan ons huis verraden – uh, ik bedoel verkopen. De afgelopen weken stonden in het teken van hypotheekadvies, makelaarsbezoeken, stylingshulp en uiteindelijk een multifunctionele fotograaf met meetapparaatje. Van al deze mensen vond ik de styliste het pijnlijkst. ‘Dit mag hier niet, dat moet weg, dit moet je repareren, er staan teveel spullen op je kasten.’ Met pen en papier hobbelde ik achter haar aan en schreef blaadje na blaadje vol. Na al het advies wonen we in een soort ziekenhuis met Tiffanylampen. Daar durfde ze denk ik niets over te zeggen.
Mijn dochter is ruim drieënhalf en was nog bijzonder content met het dragen van een luier. Ook voor een smerige pamper trok zij haar neus niet op. Sterker nog, ze bleef er lekker in lopen. Aangezien ze de basisschoolleeftijd nadert, was er noodzaak hier eens wat aan te doen. ‘Na de Kerstmis doen we de luier uit, ok? Grote meisjes hebben geen luier meer.’ Ze stemde in, maar wist niet goed waarmee. Of ze wilde het niet weten.
Ik was het overzicht kwijt. Er kwamen links en rechts mailtjes aan. Over dingen waar ik al iets mee kon, dingen waar ik iets mee had moeten doen en dingen die pas later aan de beurt konden komen. Allerlei verschillende onderwerpen, allerlei verschillende mensen. De muziek van mijn mailbox was een kakafonie van vragen, opdrachten en uitzoekklusjes. En diegene die het hardst kon zingen kreeg voorrang.