Stop hou op iedereen

dsc02381

Voor de derde keer ontvang ik een brief van de gemeente Amersfoort. Ze hebben mij namelijk persoonlijk geselecteerd om een vragenlijst in te vullen over de leefbaarheid van mijn wijk. Dat hebben ze een paar weken geleden al gedaan en toen begon de ellende. ‘Wij willen u vriendelijk verzoeken wat tijd vrij te maken om een online vragenlijst in te vullen…bla, bla, bla… VVV bonnen á vijfentwintig euro verloot.’ De VVV bonnen konden mij niet verleiden. De brief verdween tussen de aardappelschillen.

Rustplaats
‘De aanhouder wint’, moeten ze gedacht hebben toen ik niets van mij liet horen. Enkele weken later kreeg ik de vragenlijst in zijn totaliteit op papier toegestuurd. De omvang was niet misselijk kan ik u vertellen. Maar goed, als ik dus bang was geweest voor internet, was dit het alternatief. Na deze in een rechte lijn vanuit de envelop bij het oud papier een laatste rustplaats te hebben gegeven, kreeg ik vandaag nogmaals een herinnering. Ik word een beetje moe van de gemeente Amersfoort. Rot op met je vragenlijst en ga zelf bedenken of het hier leefbaar is. Loop een keer een rondje ofzo. Daar word je toch voor betaald?

Nul tot tien
Ik moet wel even openheid van zaken geven, want de gemeente Amersfoort treft niet alle blaam. Ik heb het gevoel dat ik dagelijks word gevraagd ergens een vragenlijstje over in te vullen. Bestel ik iets online, dan krijg ik vrijwel altijd een mail nagestuurd met een vragenlijst om de service te beoordelen. Ben ik op vakantie geweest, dan moet ik de reisorganisatie, de accommodatie, de transfer en de vliegmaatschappij een cijfer geven; het liefst met nuttig commentaar. Is mijn auto voor een beurt geweest, dan is het ook nodig om daar de genoten dienstverlening van in te schalen tussen nul en tien. En op mijn werk moet ik ieder kwartaal aangeven hoe betrokken ik mij voel bij mijn werkgever, rol, baas en collega’s.

Hou op
Dus ik heb er genoeg van. Enig dat mijn mening zo wordt gewaardeerd, maar hou eens op met zijn allen. Als je het goed doet zal je mij niet horen. Een dikke ‘ga zo door’ van mijn kant. Als je het geweldig doet dan wil ik dat nog wel eens laten weten, als ik denk dat het zin heeft. En als de service abominabel is, dan weet ik je ook wel te vinden. Val me dus niet lastig en ga gewoon doen waar je goed in bent.

Vent
Ik vind het namelijk maar onzeker staan, al dat gevraag om input vanuit alle hoeken en gaten. Wees een vent of topwijf en durf eens zelf een beslissing te nemen. Jij hebt er waarschijnlijk voor geleerd. En anders bluf je je er maar doorheen. Kom je waarschijnlijk ook wel mee weg.

Als je mij als consument of inwoner of cliënt gebruikt als ideeënbus vind ik je bovendien lui en ongeïnteresseerd. Doe gewoon eens wat harder je best en houd mij niet verantwoordelijk voor het vormen van een zinnige marketingstrategie. Dan kom je waarschijnlijk van een koude kermis thuis.

Vermaak
Even voor de gemeente Amersfoort – als jullie meelezen – ik woon in een prima wijk. Het is er zelfs zo leuk dat ik geen tijd en zin heb om een vragenlijst van dertig pagina’s in te vullen. Ik vermaak me hier mateloos.

Stop hou op iedereen

Een visie op de visie

2011-01-19_sleeping

“Wat is je algemene boodschap”, wordt mij gevraagd terwijl ik over mijn blog vertel. “Uhm…” Bek vol tanden. Ik schrijf graag en veel, maar over een algemene boodschap had ik nog niet nagedacht. “Ik denk dat ik altijd wel de ondertoon van ‘laten we nou gewoon normaal doen met zijn allen’ in mijn blogs heb”, concludeer ik daarom stellig maar stiekem onzeker. Er wordt tevreden geknikt. “Weg met de opsmuk en de poespas”, voegt mijn gesprekspartner eraan toe. Ja, inderdaad, wat jij zegt. Denk ik.

Motto
Een algemene boodschap. Je zult er maar een hebben. Hoe overzichtelijk is dat? Dat je gewoon altijd weet waar je voor staat, een eeuwig kader hebt om je meningen binnen te vormen en waarmee je nooit zonder gespreksstof zit. Je hebt immers altijd wel je algemene boodschap om op terug te vallen. Nou, ik vind het nogal wat. Het is een soort motto denk ik; iets om voor te leven. Dan is ‘doe maar normaal’ behoorlijk Hollands overigens. En niet per se mijn algemene boodschap.

Paardrijden
Zo heb ik bijvoorbeeld zo’n ®Dopper. Een waterflesje voor hippe mensen, waarmee je iets uitstraalt over duurzaamheid en een save-the-planet-achtige vibe om je heen creëert. Is niet echt categorie ‘doe maar normaal’. Soms draag ik ook mijn broek in mijn laarzen. Vind ik eigenlijk ook behoorlijk ver staan van ‘doe maar normaal’. Ik bedoel, waarom doen we dit in vredesnaam? Omdat er op iedere hoek van de straat een paard kan staan dat je dan zonder meer kan bestijgen? Ik kan niet eens paardrijden. Het geeft allemaal niet, maar ik doe dus ook niet normaal. Daar gaat mijn verhaal.

Visie
Maar de normaliteit terzijde. Een algemene boodschap, het is een puntje van aandacht. Voor individuen en voor bedrijven. Je moet ergens voor staan, anders gaat het nergens over. Dat hebben wij mensen, die niet gewoon normaal kunnen doen en elkaar hierover met rust kunnen laten, in ieder geval zo besloten. We noemen dat een visie. Een verzameling van uit het verleden vergaarde kennis, aangevuld met een beeld van de toekomst. Iets waar je in gelooft.

Nogal wat
Nogmaals, ik vind het nogal wat. Niets zo veranderlijk als de mens immers. Ben ik de ene dag de ene visie aangedaan, kan de andere dag een spontane gebeurtenis mij volledig op een ander spoor brengen. Je weet maar nooit. Best vervelend als je dat als bedrijf overkomt, eigenlijk.

Gedeelde visie
Een organisatievisie heeft nog een ander verraderlijk puntje en dat is het personeel. Als je als organisatie een visie hebt, dan moeten je werknemers daar uiteraard achter staan. Stel je voor dat McDonalds met ‘I’m Lovin’ it’ een hele vestiging vol personeel heeft dat geen hamburgers lust. Tsja. Dat is slechte reclame en nogal een gebrek aan gedeelde visie. Tenzij ze heel goed kunnen doen alsof ze het heerlijk vinden natuurlijk.

Populariteit
Aan het formuleren van een visie is bovendien nog heel wat gelegen. Het heeft te maken met cultuur, vooruitstrevendheid, kennis en aanzien. Dat laatste is vrij interessant. Ben je een grote speler op de markt (of een populair individu) dan kun je jezelf voorzien van een vlijmscherpe visie, waar misschien niet iedereen zich zomaar in kan vinden. Met zo’n visie maak je jezelf onderscheidend en interessant en omdat je je plekje al verworven hebt, zullen mensen dit toch accepteren. ‘Oh, deze supergave rockster vind het belangrijk om met vijftien hamsters te slapen op een kussen van eikentwijgjes. Boeiende visie op nachtrust!’ Ben je een gemiddeld speler op het populariteitsspeelveld dan zal je visie waarschijnlijk meer aansluiten bij sociaal geaccepteerde normen.

Zieltjes
Uiteindelijk gaat het erom dat je met je visie de juiste zieltjes wint, voor jou of voor je bedrijf. Mensen die zich kunnen vinden in jouw visie sluiten zich bij je aan. Fijn voor het werven van klanten, nieuw personeel of het sluiten van langdurige vriendschappen.

Normaal
Al met al doet de algemene boodschap er dus echt wel toe en is het de moeite waard om erbij stil te staan. Die van mij is in elk geval nog niet definitief. Dat neemt niet weg dat ik het nog steeds wel fijn zou vinden als we met zijn allen gewoon een beetje normaal zouden doen. Al heb ik dan direct niks meer om over te schrijven.

Een visie op de visie

Sommige mensen zijn beter met messen

dexter“Hoe gaat het?” Hij vraagt het semi-geïnteresseerd terwijl hij aan de benen van onze zoon trekt, die klagerig ligt te jammeren op de behandeltafel. Wij antwoorden iets. De assistente biedt een plaatsvervangend luisterend oor. Begrijpend knikt ze mee op onze opmerkingen. De arts draait het rechterbeentje van onze dreumes nog eens in en uit de kom. “Ja, nog lekker soepel, hè? Dat is mooi.” We gaan ervan uit dat hij het wel zal weten. “Ja, mooi”, reageren we daarom afwachtend op meer informatie die niet volgt.

Status
De dokter lijkt niet gehinderd te worden door enige vorm van empathisch vermogen. Het feit alleen al dat hij door zijn collega’s wordt aangekondigd als ‘de dokter’ (komt zo), geeft hem een status die in mijn oren het koninklijke c.q. goddelijke benadert. Ik weet zijn naam eigenlijk niet eens. Heeft hij zich wel voorgesteld?

Hij doet vandaag zijn status eer aan; komt fashionably twintig minuten te laat en vliegt door de afspraak heen. Dan maakt hij met enige tegenzin tijd voor wat vragen en beantwoordt deze staccato en zonder nuttige toevoegingen. Op de vraag of hij enig idee heeft over de termijn waarop onze zoon wordt geopereerd, lacht hij schouderophalend. “Geen flauw idee.” Oké dokter Begripvol, bedankt voor de info.

Snijden
Ieder zijn vak, zou je kunnen denken. Om in staat te zijn in kleine kinderlichaampjes te snijden, is het uitschakelen van menselijkheid misschien wel een vereiste competentie. Als hij maar goed is met een scalpel en een beetje handig met het in elkaar puzzelen van lichaamsdelen – in het bijzonder bij kleine kinderen – dan hebben we toch echt the right man for the job. Zijn opmerking in de trant van ‘oh, maar dat heb ik al zo vaak gedaan’ lijkt dit profiel te bevestigen. Dus we vertrouwen op zijn snijvaardigheid en accepteren de rest.

Karakter
Een bepaald type mens voor een bepaalde baan is niets vreemds. Als je al mijn collega’s op een rij zou zetten en een stukje over zichzelf zou laten vertellen, is het raden van hun functie geen ingewikkelde klus. Verkopers, consultants, ontwikkelaars enzovoorts, je haalt ze er zo uit. Hier en daar zit er misschien één op de verkeerde plek, maar over het geheel genomen zegt het dagelijks werk van een persoon veel over zijn karakter en andersom.

Gevangenis
Zo ben je als mens toch de gevangene van je aanleg. Het is natuurlijk wel een comfortabele gevangenis, want als je doet wat het beste bij je past dan kost het je waarschijnlijk de minste moeite om het goed te doen. Die comfort zone kent echter ook risico’s. Gaat het je te gemakkelijk af, dan word je slordig, vergeet je dingen, ben je niet meer helemaal scherp. Een beetje zoals de dokter, die vergeet zijn sociale vaardigheden aan te zetten, als hij niet in kinderlichaampjes staat te snijden. De comfort zone kan ook saai zijn; een herhaling van zetten. Een saaiheid leidt tot laksheid, verveling en zelfs afkeer op den duur.

Afstand
Een beetje afstand nemen van je aanleg en aangeboren competentiesetje kan dus helemaal geen kwaad. Nieuwe dingen bijleren, je werk als spannend ervaren en hier en daar wat gezonde onzekerheid houdt je alert. Als je buiten je comfort zone successen behaalt zal je bovendien des te trotser zijn op jezelf. Als je daarbij realistisch blijft en niet over één nacht ijs gaat, kun je veel bereiken.

Struikelen
Ik heb timide, confrontatie werende mensen zien uitgroeien tot uitstekende teamspelers met een uitgesproken mening. Personen die overal een mening over hadden, heb ik gracieus een stapje terug zien doen, ter bevordering van de sociale verbinding. Ik had vroeger een bloedhekel aan presenteren en tegenwoordig is het mijn dagelijks werk. Je kunt veel bereiken door juist buiten de gebaande paden te treden en af een toe te struikelen over een apart uitziende kiezel.

Oefenen
Ik betwijfel echter of onze aanstaande chirurg nog te redden is. Ik zou het niemand willen aandoen deze man in een functie te stoppen die werkelijk sociale vaardigheden vereist. Als verpleger, maatschappelijk werker of horeca medewerker zou hij zijn klanten, cliënten en patiënten waarschijnlijk de stuipen op het lijf jagen. We laten hem maar met zijn scalpel. Wat mij betreft blijft hij daar lekker mee oefenen totdat mijn zoon aan de beurt is.

Sommige mensen zijn beter met messen

Waarom velgen wél belangrijk zijn

2015-bmw-x3-rear-seats-folded-down

Ik stapte bij een vrouwelijke collega achterin de leaseauto. Zij heeft dezelfde als ik, maar dan in XL uitvoering. Op de passagiersstoel nam een mannelijke collega plaats. Die begon opgewonden het dashboard te beroeren en maakte opmerkingen over de ‘middenconsole’ die er retro uitzag volgens hem. De bestuurster begreep net zo min als ik wat hier nu retro aan was. Alle benodigde knopjes zitten erop en dat klokje vonden wij niet lelijk, maar handig. De collega naast mij – ook een vrouw nota bene – gaf de man wél gelijk en riep iets over led-lampjes in haar auto.

Aanzien
In een wereld waar geleased wordt, zijn auto’s een serieuze aangelegenheid. Size matters, colour matters en led-lampjes matter (blijkbaar). Het merk matters ook behoorlijk. Zo heeft een Audi – liefst met een heel erg hoog nummer – aanzien en een Opel niet zo zeer. Mijn Toyota is duidelijk de financieel bewuste keus. Dat kan in elk geval op begrip rekenen onder collega’s. Status niet echt.

Voor vrouwelijke leaserijders lijkt de status die een leaseauto vertegenwoordigt over het geheel genomen dan ook niet zo belangrijk. Als er maar wielen onder zitten, het ding comfortabel rijdt en niet te duur is. Typische vrouwenoverweging. Velgen? Wat zijn dat eigenlijk? Maar hoeveel vakjes zitten erin? En zit er een make-up spiegeltje in de zonneklep?

Achterbank
Voor mannen, merk ik, is het soort leaseauto wel belangrijk. De situatie waar ik mee opende, vier collega’s in één leaseauto, heb ik onlangs ook in de omgekeerde variant meegemaakt; namelijk drie mannen en één vrouw. Voor je het weet gaat het over pk’s. En als je niet uitkijkt over bekleding, kofferbakruimte en of de achterbank ook plat kan. Ik voelde me bijna onveilig.

Of het compensatiegedrag is durf ik niet te zeggen. Ik geloof niet dat de auto per se groter moet zijn dan alle andere auto’s op de wereld. Duurder, sneller en luxer is wel vrij belangrijk. En blijkbaar het op- en neerklappend vermogen van de achterbank. Dat heeft met de maat van het uniek mannelijke lichaamsdeel weinig te maken denk ik.

Dit wordt ‘em
Ik heb er natuurlijk wel één: een collega met een auto die lijkt op een monstertruck. Maar wel tegen nul procent bijtelling. Dat moet een maas in de wet zijn. Ik ben er niet gerust op. Voor hem wel de reden om deze auto te kiezen in elk geval.

Het leasen van zo’n gevaarte is voor de start eerst uitgebreid op kantoor besproken. ‘Dit wordt ‘em’, zegt de collega in kwestie dan uiteindelijk glunderend naast een plaatje van zijn toekomstige bolide op het scherm van de laptop. Overigens gebeurt dit niet alleen als er een monstertruck wordt besteld. Alle collega’s doen dit als ze op het punt staan een auto te bestellen. Zo kreeg ik vrij recent nog een foto van een oranje Mini Cooper in mijn Whatsapp.

Als de nieuwe bak dan wordt afgeleverd, gaan we er ook met zijn allen naar kijken om iets te roepen over velgen, bekleding en kleur. Laatst hoorde ik zelfs ‘sportief stuur’. Echt waar, niet gelogen.

Geniepige constructies
Al met al zorgt het voor nogal wat bedrijvigheid binnen de organisatie, deze secundaire arbeidsvoorwaarde. Dan hebben we het nog niet eens gehad over geniepige constructies om nieuwe bijtellingsregelingen nét wel of juist niet te ontlopen, tanken vlak voor de grens en creatief boekhouden met privékilometers. Het houdt de gemoederen bezig.

Paraderen
Dat is maar goed ook. Want de gemiddelde leaserijder maakt van zijn auto een soort tweede huis. Er wordt in gegeten, gedronken, gezongen, in de neus gepeuterd, gebeld en ik ken iemand die erin slaapt als het zo uitkomt.  We staan verder met enige regelmaat naast elkaar te blinken in de file met onze mooie wagens. Dé plek om je statussymbool eens even lekker langzaam over de snelweg te paraderen, terwijl je semi-nonchalant met een arm uit het raam de andere voertuigen in je opneemt en denkt: ‘ik ben echt wel de coolste’. Wel jammer van dat retro middenconsole.

Waarom velgen wél belangrijk zijn

Voor de lieve vrede

Walking on eggshells

Daar was hij weer vandaag. De opmerking die ik al meerdere malen heb gekregen de afgelopen drie jaren. ‘Het is een temperamentvol kind.’ Er stond weer eens een nieuwe leidster op de groep van ons bolletje levenslust en die had het natuurlijk zwaar te verduren gehad. Temperamentvol als ons kind is, heeft ze leidster vakkundig het bloed onder de nagels vandaan gehaald. Als de leidster dus zegt ‘temperamentvol’, dan bedoelt ze stiekem ‘lastig’. Dat zegt ze niet, want dat hoort niet, maar dat bedoelt ze wel. Zeker omdat ze haar opmerking direct afzwakte met de toelichting dat ons zakformaat terroristje ‘wel leven in de brouwerij brengt’.

Confrontatie
Waarom doen we dit? Dingen zeggen die we eigenlijk niet bedoelen, waarbij de aanhoorder eigenlijk ook wel weet dat je dat niet bedoelt. Politiek correct rotopmerkingen maken, zeg maar. Eigenlijk weet ik daar het antwoord wel op hoor: niemand zit te wachten op de confrontatie. Als de leidster tegen mij had gezegd dat ik een lastig kind heb, dan had ik nu een heel ander stukje geschreven; aan de directie van het kinderdagverblijf. En daar heeft zo’n leidster natuurlijk helemaal geen zin in. Zeker niet na zo’n temperamentvolle dag. Dus verpakt ze haar boodschap vriendelijk en vervolgt ze gauw haar dag.

Eieren
Het dagelijks leven zit vol met eieren waarover we voorzichtig heen en weer lopen. Confrontaties met klanten, moeilijke gesprekken met collega’s, gesprekken over opvoeding met andere moeders; het zijn slechts voorbeelden. We wringen ons in allerlei bochten om niet precies te zeggen wat we bedoelen. Voor de lieve vrede, voor een order, voor de vriendschap en voor de liefde. Soms zeggen we dingen ook gewoon niet. Daar ben ik eigenlijk wel een voorstander van. Als je niks leuks te melden hebt, zeg dan maar niks.

Verwonderd
Ik heb een collega die zijn boodschap meestal minder tactisch verpakt. De manier waarop hij dat doet vind ik ronduit bewonderenswaardig. Toen hij eens bij mij op visite kwam, vroeg hij zich openlijk af waarom wij in vredesnaam de bank op deze plek hadden gezet. Hij vond het nergens op slaan. Hij zei het niet verwijtend, maar oprecht verwonderd. Dat maakt zijn methode uniek; opmerken zonder te verwijten. Het maakt het ook direct lekker duidelijk, met als resultaat dat ik onze woonkamer zat te verdedigen. Overigens kan ook lang niet iedereen met deze omgangsvorm omgaan. Zelfs als je compleet open bent, word je niet begrepen. ‘Zoiets zeg je toch niet?’

Nee!
Toch denk ik dat we er als collega’s, vrienden en zakelijke relaties best baat bij zouden kunnen hebben om in elk geval vaker gewoon te zeggen waar het op staat. Een klant vraagt: ‘komt deze en deze ontwikkeling eraan in uw product?’ Het eerlijke antwoord is: ‘nee klant, sorry, en ik heb geen flauw idee of het ooit gaat gebeuren.’ Het antwoord dat gegeven wordt is: ‘ik zal hier navraag naar doen en kijken of het toegevoegde waarde kan hebben voor ons product.’ Bla bla bla, dus. Ook een leuke die ik in de praktijk heel vaak hoor: ‘ik ga mijn best voor je doen, maar ik beloof niks’. Je weet hoe dit klinkt toch? Dit klinkt als: ‘Nee!’.

Draaikonterij
Een gewoonte die ik mezelf daarom probeer aan te leren is om bij vage, ontwijkende en de-goede-vrede-bewarende opmerkingen hardop aan de opmerker te vragen waarom hij zoiets zegt. Om gewoon uit te leggen hoe ik zijn draaikonterij interpreteer, het liefst zonder hem direct af te branden. Ik zou dan iets in de trant van ‘bedoel je nou eigenlijk dat mijn kind een beetje lastig was vandaag?’ kunnen vragen. Ook dat vinden mensen niet altijd heel leuk – soms ook wel – maar je krijgt er direct een ander gesprek van. Vaak met veel gestamel en gestotter. En dat vind ik dan weer om van te genieten. Ik kan het iedereen aanraden.

Vandaag heb ik die methode niet toegepast. Ik had ook geen zin in de confrontatie. Ik heb de leidster een fijn weekend gewenst. Wat ik eigenlijk bedoelde was: ‘mijn kind temperamentvol? Jij bent gewoon saai. Doei.’ Maar dat heb ik niet gezegd.

Voor de lieve vrede

Spelen of vervelen

Parent Taking Child To Pre SchoolMama, zullen we schooltje spelen?” Ik zit lui op de bank thee te drinken en met een schuin oog mijn kinderen in de gaten te houden. “Hm?”, antwoord ik afwezig. “Dan ben ik de mama en dan breng ik jou naar school”, oppert mijn driejarige dochter licht dwingend. Mijn hersenen denken ‘mwah, ik zat net zo lekker’; mijn mond zegt: “oké dan”. Ik laat me aan de hand meenemen naar de gang, waarna mijn dochter terugkeert naar de woonkamer en net iets te hard de deur dichtgooit. “Dàààg kindje, ik kom je straks weer ophalen.”

Jaloersmakend
Tot mijn enkels in de toet-toet-auto’s, my little pony’s en houten blokken sta ik te wachten tot ik ‘uit school’ (onze benaming voor de kinderopvang) gehaald word. Ondertussen is mijn dochter haar interpretatie van werken aan het uitvoeren in de kamer, wat zich uit in een hoop gekletter en geschuif op de salontafel. Als ze me weer komt halen, vraagt ze of ik haar heb gemist. “Ja enorm”, speel ik mee, terwijl ik me weer aan haar hand naar de bank laat leiden.

Mijn dochter verveelt zich niet gauw. De wereld is haar speelgoed en haar herinneringen en fantasie vormen het spel. Al zingend en neuriënd speelt ze dat ze een dokter, moeder, baby, patiënt, boer, winkelier, piraat of Disney prinses is. Soms samen met papa of mama, soms alleen en soms met een vriendinnetje. Jaloersmakend is het. Altijd wat te doen.

Zomerstop
Ondertussen zit ik op mijn werk in de zomerstop. Die bestaat niet echt, maar toch heeft hij zich stilzwijgend aangediend. Mijn agenda is bijna leeg en mijn mailbox ligt digitaal stof te verzamelen. Opruimen en klusjes ‘waar ik anders nooit aan toe kom’ heb ik al gedaan. Gelukkig heb ik bijna vakantie en kan ik daarna weer vertrouwen op de normale, aangename drukte.

Om mij heen hoor ik mensen roepen dat ik ervan moet genieten. Ik heb het toch zo druk gehad de afgelopen periode? Ik zou me verlost moeten voelen, in plaats van verveeld. Ik kan het gewoon niet helpen. Ik heb prikkels nodig; druk op de ketel. Ondertussen bezig ik me daarom met klusjes van collega’s en oogst ik naast bezigheidstherapie ook dankbaarheid. Win-win situatie.

Bore-out
Verveling is een sluipmoordenaar. Mensen die zich chronisch vervelen – en voor de duidelijkheid: daar hoor ik dus niet bij – riskeren een ‘bore-out’. Het internet waarschuwt voor psychische klachten en slapeloosheid. Dat heeft mijns inziens meer te maken met een soort taboe dan met het feit dat iemand zich verveelt. Je komt er niet graag voor uit dat je niks te doen hebt, maar voelt je ondertussen wel schuldig dat je geld zit te verdienen voor winkelen op Wehkamp.nl.

Tips
Tuurlijk, één dag is prima en twee dagen Youtube kijken en nieuws lezen is ook nog wel te doen, maar daarna moet er weer iets van zingeving op het programma staan. Voor mensen die zonder uitzondering tijdens het werk denken aan de naderende lunchpauze (nog drie uur en zes minuten), hoeveel minuten er voorbij zijn sinds er het laatst op de klok gekeken is en waar die leuke collega toch de hele tijd mee bezig is, staat het gapen nader dan het lachen. Voor hen die zich hierin herkennen, de volgende tips.

Tip één: kom ervoor uit. Ga naar je baas en geef toe dat je te weinig uitdaging hebt in je werk. Wedden dat je eerlijkheid wordt gewaardeerd? Je kunt dan direct samen een plan maken om je dagelijkse bezigheden weer wat draaglijker en uitdagender te maken.

Tip twee: ga een opleiding volgen. Zoek de uitdaging op door nieuwe dingen te leren en later toe te passen in je werk. Op de momenten dat je op werkdagen even niks te doen hebt, kun je de focus even op je leerstof leggen en houd je de dag interessant.

Tip drie: word een perfectionist. Doe alles wat je doet tot in de puntjes geperfectioneerd. Het geeft voldoening om een zeer strak eindresultaat op te leveren. Misschien ontdek je zelfs dat dingen anders en beter kunnen en kun je jezelf en je werk naar een hoger niveau tillen.

Tip vier: accepteer je lot. Laat het allemaal even los en laat je gedachten de vrije loop gaan. Misschien kom je ineens met geweldige ideeën of nieuwe inzichten. Staar gewoon even lekker naar buiten en relax.

Tip vijf: zoek een andere baan. Heb je werkelijk het gevoel dat je werk met de dag zinlozer wordt, zoek dan iets anders. Een kunstje voor de zoveelste keer herhalen wordt uiteindelijk saai. Een baan is maar een baan. Door jezelf in een nieuwe omgeving met nieuwe mensen en nieuwe werkzaamheden te begeven, geef je verveling voorlopig zeker geen kans.

Komkommertijdverveling
Aan komkommertijdverveling doe je natuurlijk niet veel met deze tips. Dat is gewoon een kwestie van ‘doorbijten’. Het maakt het er overigens niet minder gezellig op binnen de muren van ons kantoor.  Voor de sociale verbindingen is komkommertijd een prima instrument. Misschien moeten we overwegen om doktertje, schooltje of boerderijtje te spelen. Dan hebben we naast socializen ook nog wat interessants te doen.

Spelen of vervelen

Het informatiemonster

Scary-monster

“Ik wil het weten als er een nieuw document in het dossier van één van mijn medewerkers is gezet”, riep een manager uit tijdens een bijeenkomst die ik had van de week. “Echt? Waarom?” Ik was oprecht verbaasd. Ik vertelde dat we wel iets met signalen konden doen, maar dat waarschijnlijk lang niet alle managers in de organisatie daarop zaten te wachten. “Ik wil geen signaal, ik wil zo’n balletje met een cijfertje, zoals Facebook dat ook heeft. En dat ik dan zelf kan beslissen of ik daar iets mee doe of niet.” Ik stelde de man teleur dat wij het Facebookballetje niet in onze software hadden gebouwd.

Informatiebehoefte
Het feit dat Facebook dat balletje heeft en wij met onze software signalen versturen heeft te maken met de informatiebehoefte van de mens. We willen alles weten en het liefst worden we erop geattendeerd; lekker lui. De tijd dat ik zelf ging inloggen op mijn Hotmail, om te kijken of ik nog post had, is al lang voorbij. Op mijn telefoon krijg ik nu een envelopje in beeld die aangeeft dat er weer iets nieuws is afgeleverd. Onwijs handig. Tenzij je bijna alleen nog maar ongepersonaliseerde reclamemails binnenkrijgt, omdat mail zó 2005 is voor persoonlijk contact, natuurlijk.

Dinges
Voor wat betreft dat Facebookballetje overigens: ik krijg op Facebook best wel vaak zo’n balletje met een cijfertje. Meestal gaat dat over iets waar ik helemaal niet in geïnteresseerd ben. “Dinges heeft ook gereageerd op het bericht van huppeldepup.” Scoort bij mij vrij hoog in de categorie ‘nou en’; zeker als ik dinges niet eens ken en huppeldepup amper. Ik kom daar pas achter als ik op dat balletje druk, dus eigenlijk zit ik dan alsnog met een nutteloze handeling en nutteloze informatie opgescheept. Maakt dus niks uit: balletje of signaal. Als ik er niet op zit te wachten, zit het sowieso in de weg.

Zoveel mogelijk
In ons e-HRM pakket werken we dus met signalen en taken in plaats van balletjes; met name omdat het eigenlijk weinig uitmaakt. Een voorbeeld van zo’n signaal is: ‘het contract van medewerker X loopt af, wil je het verlengen?’ Je kunt kiezen uit wel honderd berichtjes en taken denk ik en dan kun je ze daarnaast ook nog zelf verzinnen en geautomatiseerd laten versturen. Als klanten onze software gaan implementeren kiezen ze meestal voor zoveel mogelijk berichtjes voor zoveel mogelijk mensen. De informatiebehoefte is immers groter dan groot. Anders hadden ze ook niet zo’n systeem aangeschaft.

Uit het raam
Dan wordt de software in gebruik genomen. Managers worden opeens bestookt met signalen over dingen waar ze vroeger gewoon zelf over nadachten. Hebben ze bijvoorbeeld een zieke medewerker? Iedere week stuurt het systeem dan een berichtje met de opdracht: bel je medewerker in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter. Onlangs was ik bij een organisatie waar het protocol zelfs was ingesteld op dagelijks bellen. Stel je voor dat je als manager honderd medewerkers onder je hebt. Dan is het effect van dit actieve signaleringsbeleid eenvoudig in te schatten. Chagrijnige managers, figuurlijke computers uit het raam en niet afgewerkte takenlijsten. Ook niet de dingen die wél echt belangrijk zijn. Deze managers zijn zonder dat ze het in de gaten hadden in de klauwen van het informatiemonster gelopen.

Scheidslijn
Hoe ga je als organisatie hier nu het beste mee om. Het is een dunne scheidslijn tussen informatie en irritatie. Daarnaast moet het beheersbaar blijven. De ene manager wil misschien wel honderd berichtjes ontvangen, terwijl de andere daar helemaal geen trek in heeft. Ga je dan voor een gestandaardiseerd signaleringsbeleid op basis van rollen of laat je het gebruikers lekker zelf uitzoeken? Dat zijn best wel ingewikkelde kwesties, want van sommige dingen wil je gewoon dat mensen geïnformeerd worden; of ze daar nu zin in hebben of niet.

Consequenties
Mijn advies zou zijn om te kijken naar de consequenties van het niet versturen van een bepaald signaal naar een bepaalde rol. Stel nu dat we die manager niet wekelijks pushen zijn medewerker te bellen; doet hij het dan helemaal niet meer? En als wij nu wel die taak blijven sturen, gaat hij het dan wél doen? Of negeert hij de actie dan heel bewust, uit ergernis? Als hij niet belt, wat heeft dit dan voor gevolgen? Gaat dat ons geld kosten bijvoorbeeld, of voelt de medewerker zich dan ongehoord? Dat soort vragen zouden bij het inregelen van iedere taak en ieder signaal moeten worden gesteld. Voor alle berichten waarvan blijkt dat de gevolgen verre van desastreus zijn als ze niet worden verstuurd, zou ik zeggen: laat maar zitten, joh.

Informatie halen
Er zijn namelijk voldoende andere manieren om informatie te halen, als ik daar als gebruiker zin in heb. Een verjaardagssignaal bijvoorbeeld is redelijk overbodig als je e-HRM software ook een verjaardagkalender heeft. Voor gebruikers die wel van ieder dingetje een bericht willen ontvangen kun je een aantal signalen optioneel aanbieden. Kunnen zij lekker iedere dag berichtjes lezen. Iedereen blij. Nou ja, tenzij ze een Facebookballetje willen dan.

Het informatiemonster

Kijk mij eens

marsIk scroll door mijn Twitterfeed en de Facebookupdates van vrienden, vrienden van vrienden en volstrekt onbekenden. Ik hobbel wat over de digitale paden van het internet, terwijl ik de meningen van anderen op willekeurige berichten tot me neem. ‘Wat ik altijd doe in zo’n situatie…’, begint iemand zijn commentaar. Er wordt afwijzend en goedkeurend op gereageerd. Bij anderen wordt zo’n situatie bijvoorbeeld heel anders – met de ondertoon van veel beter – aangepakt. Trots is een gangbare emotie op het internet.

Enthousiast
Een vriend schrijft dat hij vandaag heel goed heeft hardgelopen. Hij heeft schijnbaar heel ver gelopen in heel weinig tijd. Tenminste dat denk ik, want ik heb geen idee hoe ver je gemiddeld kunt komen binnen een bepaalde tijd. Hij zet erbij dat zijn stemming ‘enthousiast’ is en plaatst er een foto van zijn schoenen boven. Op Twitter schrijft één van de bedrijven die ik volg dat ze zo’n fijn webcare team hebben; #nononsense en #tothepoint zijn ze. Op LinkedIn roept een ex-collega dat zij vanavond op televisie komt.

Brij
Ik zit me te vervelen op social media en word vermaakt met successtory’s van vrienden, verre kennissen, concurrerende bedrijven en volslagen vreemden. Of nou ja, vermaakt. Ik vraag me steeds vaker af waarom ik deze brij van zelfverheerlijking nog langer toesta in mijn leven. Blijkbaar verveel ik me werkelijk stierlijk, als dit mijn entertainment is. Iedereen met zijn perfecte leven, marketingstrategie en belevenissen.

Ha fijn, een lichtpuntje, de club van relaxte moeders post een update. Ik lach, want het is grappig en herkenbaar. Het gaat over de eeuwige strijd rondom het op tafel zetten van een fatsoenlijke avondmaaltijd; met als incidenteel gevolg friet. De commentaren stromen al gauw binnen. Helaas wordt de club van relaxte moeders bevolkt door niet zo relaxte moeders. ‘Mijn kind eet alleen maar groente en fruit en taalt niet naar snoep, grappig hè? Ze houdt ook helemaal niet van frieten of pizza.’. ‘Ik weet nog wel een makkelijk en gezond gerecht dat je zo op tafel hebt in plaats van patat’. ‘Wij eten alleen maar patat van biologische aardappelen. #jammie’ Mijn mondhoeken zakken teleurgesteld naar beneden.

Chocola
Omdat ik me echt heel erg verveel verander ik mijn profielfoto naar een foto van vier jaar terug. ‘Mooi!’, reageert iemand. Ik voel me gevleid. Ik ben net zo erg denk ik verafschuwd bij mezelf. Moedeloos leg ik mijn telefoon opzij. Misschien moest ik maar eens een heel groot stuk chocola gaan eten. De voorraadkast heeft niks in de aanbieding. Ik pak mijn telefoon weer op: www.ikwilchocola.nl. Bestaat niet. Stom. Www.chocola.nl brengt me naar de website van Mars. In koeienletters staat hier iets over global awards. Sjonge jonge, zelfs chocola.nl doet mee aan de kijk-mij-eens-cultuur. Terwijl wat mij betreft chocola dat echt niet nodig heeft. Ik bedoel, kom op jongens, chocola!

#nononsense
Werkt dit dan ook? Als ik als consument lees dat Mars iets met global awards heeft, ga ik dan sneller voor de bijl als ik zo’n ding bij de pomp zie liggen? ‘Oh ja, die hadden iets met global awards, doe mij die maar.’ En zo’n #nononsense webcare team, trekt mij dat over de streep als ik ervoor kies mijn zaken met een bedrijf te doen? Zeker als ze zelfbenoemd #nononsense zijn, valt dat toch sterk te betwijfelen.

Het is natuurlijk ook alleen maar mijn bescheiden mening. Ik heb eerlijk gezegd geen enkele intentie deze aan iemand op te leggen. Je mag hem naast je neerleggen en zeggen: ‘wat een zeikwijf’, of iets roepen over hormonen. Misschien ben ik simpelweg andere mensen moe. Er zijn zoveel andere mensen, met zoveel verhalen, die ik zo oninteressant vind. Maar die ik toch lees. Want ik zie het nu eenmaal staan. En dat is gewoon mijn eigen schuld. Niet de schuld van de mensen met de verhalen. Die willen alleen maar even roepen: ‘kijk mij eens wereld, met mijn mooie verhaal en mijn mooie foto!’ Op Facebook roept de schrijver dan zelfs letterlijk op om ‘geliked’ te worden. Het is eigenlijk gewoon aandoenlijk. Oh en ik ben zelf net zo erg hadden we net vastgesteld.

Oud
Waarschijnlijk word ik gewoon oud ofzo. Weet ik veel. Om mij heen zie ik wel meer mensen die moe zijn van dit soort waanzin. Ook allemaal oud dan. Vooralsnog doet iedereen er nog wel schoorvoetend aan mee. Ik ben nieuwsgierig waar het heen gaat. Ik zie het al helemaal voor me. Alle bedrijven hun marketingstrategie om social media heen gebouwd en dan kotst iedereen het ineens uit. Ik verheug me erop. Moet ik ineens zelf gaan beslissen of ik liever een Mars of een Verkadereep wil eten, zonder reuze interessante achtergrondinformatie over global awards. Ik denk dat het wel lukt overigens.

Verdorie, ik heb echt zin in chocola.

Kijk mij eens

Zelfsturende teams: gewoon anders eigenlijk

zelfsturend-teamlid-300x242We organiseerden een themadag voor onze klanten uit de zorgsector. We hadden dus ook een thema bedacht: zelfsturende teams. Gaandeweg leerde ik dat we het tegenwoordig ‘zelforganiserende’ teams moeten noemen. Het plan was een open discussie, waarin iedereen zijn of haar mening over zelforganiseren kwijt kon. Sommige deelnemers deden er al aan. Anderen keken afwachtend – misschien zelfs argwanend – toe vanaf de zijlijn, hoe zij die er al aan deden worstelden met allerlei zelfsturende issues. “De productiviteit van de teams loopt wel terug, doordat ze allerlei zaken zelf moeten regelen.” Dat soort details bijvoorbeeld.

Groepjes
Er kwamen predikers, er kwamen afwachtenden en er kwamen teleurgestelden. Er was ook een specialist van een extern bureau. Zij verkondigde het voordeel van iedereen erbij betrekken, vaste rollen binnen alle teams, niet te grote groepjes, duidelijke afspraken en controleren of niemand zich benadeeld voelt bij de gemaakte afspraken. Dingen die het op de middelbare school ook goed doen als er gezamenlijke werkjes ingeleverd moeten worden. U weet wel: ‘jij schrijft’, ‘jij onderzoekt dit en dat onderwerp’, ‘jij maakt de powerpoint’, ‘jij doet de presentatie’, ‘vindt iedereen dat oké?’. Ook nog toegepast op de universiteit als ik het mij goed herinner.

Even wennen
Dat zou het zelforganiserende team dus als de gesmeerde donder moeten laten lopen. Oh, maar wacht even, zei ze nou net dat het wel drie tot vijf jaar kan duren voordat een team echt helemaal gewend is aan deze situatie? Dat je het rustig moet opbouwen en gefaseerd verantwoordelijkheden in het team moet leggen? Dat is wel een tegenvaller natuurlijk. Een aantal van onze klanten had namelijk vrij rigoureus een complete managementlaag uit het personeelsbestand gesneden. Die was dan nog wel handig geweest als coach of iets dergelijks. Oeps.

Drie tot vijf jaar wennen. Persoonlijk vind ik het vrij lang. Zeker gezien de hoeveelheid wisselingen van personeel die je vermoedelijk hebt in dit tijdsbestek. Wennen mensen dan ooit wel echt? Bovendien, over vijf jaar ziet dit hele idee van zelforganiseren er natuurlijk weer heel anders uit; wie weet hoe we het dan moeten noemen ook. Dan is het maar de vraag of dat komt doordat mensen stiekem gewoon niet konden wennen aan het oorspronkelijke idee, of dat er weer een nieuwe theorie is ontwikkeld op basis van nieuwe inzichten. En wie zegt dat we daar niet weer drie tot vijf jaar aan moeten wennen.

Blije cliënt
Goed, goed, ik ben een beetje cynisch. Ook niet helemaal eerlijk. Er steekt namelijk een nobel streven achter het zelforganiseren, waar ik echt geen kwaad over durf te spreken: blije cliënten. “Het doel is minder verschillende verzorgers bij de cliënten langs te sturen. Dat zorgt voor meer transparantie en kortere lijnen. Onderzoeken onder onze cliënten wijzen uit dat men inderdaad tevredener is sinds we met zelforganiserende teams werken”, aldus een enthousiaste vertegenwoordigster van een zorgorganisatie waar zelfsturende theorie al een tijdje zelforganiserende werkelijkheid is. “We zijn nu bezig om ook onze stafafdelingen zelforganiserend te maken. Zo ver gaan we gewoon.”

Dunne portemonnee
Schoorvoetend wordt er door enkele andere praktiserende zelforganiseerders toegegeven dat geld natuurlijk ook een rol speelt. “Maar het levert voorlopig nog weinig op. Op overhead besparen we kosten, maar zo’n project –  want dat is het – kost een hoop geld. En de productie van de zorgmedewerkers is ook lager nu ze meer en andere verantwoordelijkheden erbij krijgen.” Overgangstrajecten naar een compleet andere manier van werken kosten geld. Logisch ook. Maar uiteindelijk zou dat tij natuurlijk moeten keren en kosten moeten besparen. Ooit.

Maar als de portemonnee er niet op enigszins korte termijn beter van wordt – er op dit moment misschien zelfs beroerder aan toe is – wat is dan de overlevingskans van deze nieuwe methode?  Zeker nu bezuinigingen in de zorg aan de orde van de dag zijn. Want, of we dat nou leuk vinden of niet, er moet natuurlijk wel geld verdiend worden en het liefst meer dan we uitgeven als organisatie. De blije cliënt als streven is prachtig. Het is ook waar dat blije cliënten zorgen voor meer blije cliënten, want mond-tot-mond reclame is een krachtig wapen. De vraag is of dit de gaten kan dichten.

Menselijke aard
En ik ben geen kenner van organisaties en al helemaal niet van strategische beleidsvorming, maar de menselijke aard is mij niet vreemd. Ik heb er immers zelf één. Met dat in het achterhoofd vrees ik voor de toekomst van zelforganiseren. Ik stel mij de gedachtengang van een bestuurder (of Raad van…) ongeveer zo voor:

‘Het kost ons best wel veel geld op dit moment en het kan wel vijf jaar duren voordat het beter wordt? Wat kunnen we doen om onze uitstekend uitgedachte strategie zo aan te passen dat het me minder geld kost? Misschien kunnen we weer wat dingen centraal gaan leggen. HRM-gerelateerde zaken, ofzo? Ja, daar hebben ze echt geen kaas van gegeten in de teams en het interesseert ze ook niet echt. Kunnen ze weer lekker productieve uren maken. Uhm, oh ja, ik had op HR ook vijftig procent bezuinigd. Nou ja, we kijken wel even hoe het gaat. Dat loopt vast wel los.’

Cynisch? Mwah. Dit gebeurt al in de werkelijkheid. Met worstelingen, matige mogelijkheden tot ondersteuning van het personeel en frustraties alom tot gevolg. Of dat nu zo goed is voor de klantbeleving valt natuurlijk te betwisten.

Anders
Ook de succesverhalen waren doorspekt met saga’s over strubbelingen en ‘ja daar zijn we nu over in discussie’-achtige opmerkingen. Het valt in elk geval niet mee. En HRM staat in het midden van al deze veranderingen. De een noemt het een uitdaging, de ander ‘gelooft er niet in’ en dan zijn er natuurlijk nog de realisten. De mensen die met een zekere gelatenheid de werkelijkheid af en toe even op scherp zetten met opmerkingen als: “ach ja, ik weet niet of het efficiënter of kostenbesparend is. Het is gewoon anders eigenlijk.”

Zelfsturende teams: gewoon anders eigenlijk

Ode aan de zondebok

big-BEnl0411_9Ik zit in de trein met mijn oom en praten wat over het werk. “Wij hebben nu allemaal een flexplek”, vertelt hij met twinkelende ogen. Ik verwijs naar mijn blog over veranderingen en de ‘vaste flexplek’. Hij grijnst bevestigend; die heeft hij gelezen. En inderdaad, hij heeft een vaste flexplek. Een en dezelfde collega schuift in de regel aan bij het aangrenzende bureau. Nog zo iemand met een vaste flexplek. “Ik weet niet of mensen niet bij mij willen zitten of bij hem, maar ik mag hem wel”, zegt mijn oom. Hij vertelt over zijn collega die iedereen formeel goedemorgen, goedemiddag en goedenavond wenst bij het passeren van zijn ‘flexplek’. En als er niet geantwoord wordt, uit hij een hooghartig ‘nou, dan niet’. “Dat vinden sommige mensen behoorlijk irritant”, grinnikt mijn oom, “maar ik lach me kapot.”

Dwangneuroses
Collega’s, je hebt het er maar mee te doen. Er kunnen vreemde snuiters bij zitten. Zo werkte ik ooit met iemand die heel onsmakelijk omging met zijn lunch en niet zelden heb ik mensen ontmoet die dwangmatig snuffen met hun neus, tikken met hun voet of klikken met een pen. En als je er eenmaal op let… Een vriend vertelde over een collega die bij het opgaan van de trap, op de derde trede altijd iets wat het midden houdt tussen een kuch en een grom ten gehore bracht. Zelf was het hem nog niet opgevallen, maar iemand anders wees hem erop. En sinds die tijd hoort hij niets anders dan die kuch. Hij kucht zelfs mee.

Het team
Toch moet je ermee samenwerken. Dan valt ritmisch klikken met een pen of bijvoorbeeld veel te hard telefoneren nog wel mee, maar er zijn gevallen waarin jij en je collega elkaars bloed wel kunnen drinken. Dan maakt fatsoenlijk communiceren en samenwerken vaak behoorlijk complex. Een vriendin vertelde over een collega die in alle clubjes van het werk zit: de PV, de feestcommissie, de OR, BHV; alles. Aan echt werken komt ze niet meer toe. Ten nadele van haar collega’s, die al haar werkzaamheden moeten overnemen.

Wat gebeurt er dan? Er wordt gepraat. Alle andere collega’s op de afdeling – of binnen het hele bedrijf als de persoon in kwestie pech heeft – vormen een gezamenlijke mening over deze ene persoon. En als de collega in kwestie de kamer verlaat, beginnen de tongen al snel te ratelen. “Gaat ze nou alweer naar de WC?” “Misschien gaat ze wel naar Johan op de verkoop. Ik weet niet hoor, tussen haar en Johan, maar volgens mij speelt daar meer…” “Nou ja, ondertussen zal ik dat ene klusje dan maar weer voor haar doen.” “Toen ik net langs haar bureau liep, klikte ze gauw alle vensters dicht. Ik vind het verdacht.”

Zondebok
Het team heeft een gezamenlijke zondebok. En niets is beter voor het teamgevoel dan een gezamenlijke zondebok. Ik werk sinds mijn 16e en overal waar ik heb gewerkt hadden we er één. Gelukkig was ik het nooit zelf overigens. Soms is het de baas, of het hulpje van de baas, maar meestal is het gewoon iemand waarvan iedereen vindt dat hij zijn werk niet goed doet. Opmerkingen als ‘niet dat ik het beter zou kunnen hoor, maar wat hij nu weer heeft gedaan’ vliegen dan achteloos in het rond. En meestal is iedereen het er roerend mee eens, want dat is goed voor het wij-gevoel.

Wat ik ook heb gezien is dat bij het wegvallen van de oorspronkelijke zondebok – die na alle pesterij heeft besloten zijn heil elders te zoeken bijvoorbeeld – er als vanzelf een nieuwe zondebok wordt gekozen. Een uniekere, maar ook op ervaring gestoelde situatie, bestaat als een originele zondebok door het team wordt vervangen door een nieuwe zondebok. Meestal omdat het nieuwste zwarte schaap nog slechter functioneert dan zijn voorganger; aldus het team.

Ouderwets pesten
Waar het natuurlijk op neer komt is ouderwets pesten. Dat komt vaak voort uit een onzekerheid van de pestkop(pen). Als degene die gepest wordt minder is dan ik, dan zal ik wel geweldig zijn. Mensen hebben van nature de neiging zichzelf geweldig te willen vinden. Dat noemen we zelfvertrouwen en dat vindt iedereen volkomen normaal. Een gezamenlijke zondebok heeft dan vervolgens het resultaat dat niet één persoon zich beter voelt, maar een hele groep het eigen kunnen en presteren hoger acht dan dat van de onfortuinlijke collega. Al dat zelfvertrouwen en het groepsgevoel heeft dan weer zijn uitwerkingen op het functioneren van de pestkoppen. Die staan namelijk een stuk zekerder in hun schoenen en leveren vermoedelijk dus beter werk af. ‘Kijk eens wat ik kan en hij niet?!’

Moet dat nou zo?
Je kunt je natuurlijk afvragen of dat nou zo moet? Op zich niet natuurlijk. Er zijn wel honderd andere methoden waarop een team goed kan samenwerken en mensen zelfvertrouwen kunnen krijgen. Ik zou het aanwijzen van een gezamenlijke zondebok ook niet willen verdedigen. Feit blijft echter dat ik nog nooit ergens heb gewerkt waar geen zwart schaap rondliep. Het lijkt onvermijdelijk.

Daarom bij deze een ode aan de gezamenlijke zondebok. Lieve zondebok, bedankt dat je een beetje vreemd bent of dat je misschien net te weinig je best doet op het werk. Bedankt dat je altijd in staat bent mensen te blijven verbazen. Bedankt dat je die dikke plaat voor je hoofd houdt als er weer iemand een sneer naar je maakt. Bedankt dat je koppig en volhardend met een glimlach op kantoor blijft verschijnen. Bedankt. Dankzij jou lopen alle collega’s een stukje harder en hebben ze iets om samen over te lachen, te huilen en te klagen. Beste zondebok, zonder jou zou het hele bedrijf een stuk minder goed presteren. Je bent een topper.

Ode aan de zondebok